“Ik zie ons nog staan in dat bos, in een halve kring rond de urn, terwijl mijn schoondochter - altijd praktisch - probeerde in te schatten waar de wind precies vandaan kwam. Mijn twee dochters stonden aan weerszijden van me en hadden allebei een arm om me heen geslagen. De kleinkinderen, toen vijf en drie, stonden er maar een beetje bedremmeld bij. Die begrepen duidelijk niet helemaal waarom iedereen ineens zo plechtig deed en bedrukt keek.
Het was een frisse, maar zonnige middag aan het begin van de lente, een klein halfjaar na het overlijden van Mart, mijn enige zoon. In die mahoniehouten urn zat zijn as. Van alles wat hij was geweest en had gedaan, was alleen dat beetje stof nog over. Al was het toch meer dan ik…