Tussen het einde van de bronstijd en de ijzertijd, rond de 12de eeuw v.C., geloofden de bewoners van Latium en die van het grondgebied van het toekomstige Rome, dat levenloze voorwerpen, zoals, grotten, planten en waterbronnen een eigen geest hadden (numen). Daarom werden deze gezien als goddelijke entiteiten die moesten worden vereerd. Dat gold voor bijna alle natuurverschijnselen, bossen, water, bomen, heuvels, grotten, aarde en de hemel. Bepaalde wilde dieren zoals de wolf, de slang, het wild zwijn en de gier, werden ook als goddelijk geïnspireerde wezens beschouwd.
Het was een religie die niet zozeer mystieke elementen had, maar juist was gebaseerd op praktische behoeften. Ze was zo georganiseerd dat ten behoeve van personen, het gezin, de oogst, de kuddes en het huis, alles met volledige goddelijke instemming moest worden…
