‘Vroeger had ik niks met katten. Mijn opa en oma hadden een boerderij en daar hadden ze katten, maar die waren er voor de muizen. Ik mocht ze van oma niet aanraken, want ze waren ‘vals’ volgens haar. Mijn andere oma had wel een huiskat: Floortje, dat was een deftig ding. Mijn vader kon alles met Floortje, maar als ik maar naar haar wees, sloeg ze al. Nee, de liefde voor katten is pas later in mijn leven ontstaan. Daarvoor vond ik ze maar eng en begreep ik niets van ze.
Op mijn achttiende ging ik op mezelf wonen. Ik vond het toch wel stil zo alleen en besloot een kat te nemen. Het werd Pippen, een boerderijkater. Hoewel we niet meteen enorm close waren, vond ik het toch wel…