Er liep een rails door de hemelsblauwe lucht: twee strepen evenwijdig aan elkaar, verbonden door dwarsliggers. Een stel zwaluwen schoot door het beeld, speelde tikkertje waarbij ze zich als kamikazepiloten in een spiraal draaiend ter aarde stortten om net op tijd behendig af te zwenken en weg te waaien, met de wind mee. Vlokken wolk gleden langs het spoor als de resten van een luchttrein.
Mies zat op de door Willem herstelde steiger, haar blote benen bungelden in het woelige water van de Vecht. Met behulp van fysiotherapie was haar gebroken voet goed geheeld.
Ze hield van luchten, van wolken met hun langzame, voor het oog haast onzichtbare transformaties. De dingen gaan voorbij, onzekerheid wacht op geduld. Ze dacht terug aan het moment in de danszaal, toen ze Hugo vasthield,…