DOSSIER ESSAY ‘Ik heb de pijn van ongeloof nooit gevoeld tot ik begon te geloven,’ schrijft de Amerikaanse dichter Christian Wiman in zijn boeklange essay Mijn heldere afgrond (2016). De god waar Wiman in gelooft is welbeschouwd onbespreekbaar; Wiman is dichter, en dus een beoefenaar van sprakeloosheid. Zijn godservaring, na zijn veertigste, gedurende een slopende, zeven jaren lange terminale ziekte, is er een van ‘heldere afgrond’, in het holst van pijn en medisch geweld, van stilte en van zwijgen. ‘Broze, precaire’ inbraken van vrede en vreugde, soms op momenten van opperste verlatenheid. Inbraken? Dat klinkt al te sensationeel, al te herboren Pinkster-achtig. Wat Wiman oproept lijkt op wat er met een kaarsje gebeurt dat overdag ook brandt, maar pas te zien is als het donker wordt. Maar ook op minuscule blijken…
