Onlangs liep ik een Nederlandse ex-wielercollega tegen het intussen ook al erg geërodeerde lijf. Na het ophalen van wat herinneringen (“De romantiek is grotendeels uit ons vak verdwenen”) en het opsnijden over het niveau van het Belgische (“Evenepoel dubbel olympisch goud!”) vs het Nederlandse (“Wanneer wint Van Aert eens een Mathieu-klassieker?”) wielrennen, gooide ik mijn vakbroeder de bedenking toe dat de kans dat een Nederlander op korte termijn nog eens de Tour wint, haast onbestaande is. “Hoezo”, wilde mijn confrère weten. “Wel, het zijn enkel nog vlieggewichten die meespelen in Tour, Giro of Vuelta”, zei ik. “Kereltjes van 60, 65 kilogram, mager als een riet. Nederland heeft die niet. Het is een land van kolossen van 70 kg of meer.”
Het zijn inderdaad enkel nog broodmagere kereltjes die erin slagen…
