A ls kind groeide ik op op het platteland, met bollenvelden achter het huis, duinen in de voortuin en het strand op fietsafstand. We waren kind aan huis bij ‘de boer’ (zoals we de neef van mijn vader noemden). Daar leerden we onszelf ponyrijden, we speelden in de hooiberg, voetbalden tussen de schapen en zagen lammetjes geboren worden. We hadden een ondergrondse hut in de duinen en met het pellen van bollen verdiende ik al jong mijn eerste geld. Het was een fijne jeugd, beschermd en redelijk onbezorgd. Maar hoe fantastisch het ook was, de stad lonkte. Als we een dagje gingen ‘stadten’ - winkelen, lunchen, naar de vlooienmarkt en een terrasje pakken - absorbeerde ik alles wat ik rook, hoorde en zag. De mensen waren diverser en het assortiment…
