Zijn timing is fantastisch. Het is de middag voor kerstavond, 24 december, en ik wil net beginnen met de voorbereiding van het kerstdiner, als Wouter me vanuit de slaapkamer roept.
‘Nee schat,’ roep ik eerst terug, ‘daar heb ik nu echt geen tijd voor!’
Ik weet wel wat hij wil, maar dat gaan we dus echt niet doen, met nog zoveel dingen die moeten gebeuren voor het kerstdiner. Het blijft even stil, waarna er een zielig kreetje mijn oren bereikt.
‘Het moet écht.’ Dus ga ik toch maar kijken. Ik tref een rommelig bed aan, zijn neus komt net onder de dekens uit. Iets dat voor een stem door moet gaan klinkt raspend en krakend. Alsof ik luister naar een opaatje van tachtig in plaats van naar een man van…
