Van alle passanten in mijn leven herinner ik me Jan Krol het best. Jan Krol, met zijn dikke brillenglazen en zijn dunne snorretje waaraan een vage glimlach was opgehangen. Elke dag kwam hij vanuit een van de omliggende dorpen naar school, stalde zijn fiets en schoof stil in zijn bankje voorin de klas. Toen na de zomervakantie de leraar Nederlands, met zijn manieren van een oorlogsveteraan, vroeg: ‘En jij, wat heb jij in de vakantie gedaan, Jan?’ zei Jan: ‘Gewacht, meester’.
‘En waarop,’ vroeg hij, ‘heb jij dan gewacht, Jan?’
‘Tot school weer begon, meester.’
‘STILAAN RAAKTEN ZE GEWEND AAN DE VREEMDE KOSTGANGER IN HET OUDERLIJK BED’ Na deze woorden heeft hij Jan nooit meer lastiggevallen, omdat hij in hem een wijze had herkend in wiens peilloze blik wij allemaal…
