‘Duitsch geld, Duitsche handteekeningen, Duitsche beloften zijn waardeloos. Voor onze verdronken polders, vernielde havens, spoorwegen en steden verlangt het Nederlandsche volk Duitsch grondgebied zonder Duitschers.’ De affiches, pamfletten en aanplakbiljetten logen er in 1945 niet om: na de bevrijding was Nederland op oorlogspad. Genoegdoening en schadeloosstelling, dat wilden, nee dat éisten we. En we hoefden geen marken van die vieze stinkmoffen, we wilden hele lappen van hun land inpikken. Een stukje Lebensraum, zo u wilt. En dan het liefst ontdaan van al die voornoemde stinkmoffen. Oog om oog, tand om tand, weet je.
Het minst bescheiden in zijn expansiedrift was Frits Bakker Schut, directeur van de Rijksdienst voor het Nationale Plan en secretaris van het Nederlandse Comité voor Gebiedsuitbreiding. Hij trok onze nieuwe oostgrens tot voorbij Hamburg. Maar liefst 1750…