Het is nog redelijk vroeg als meneer V. de rechtszaal binnen komt lopen. V. is een tengere man van een jaar of vijftig, zestig, die waarschijnlijk, ondanks zijn smalle armpjes, iemand met gemak in één klap zijn schedel doormidden lijkt te kunnen slaan. Zodra hij binnenkomt, volgt zijn nageslacht. Netjes gaan ze, een beetje onzeker, met hun vieren naast elkaar in het publiek zitten. De rechter kijkt het hele tafereeltje met lede ogen aan, terwijl V. in het beklaagdenbankje plaatsneemt. Meneer V. vindt het onzin dat hij is opgeroepen, want hij heeft, naar eigen zeggen, niets gedaan. Hij is een rustige, liefhebbende vader die samen met wat mensen een avondje was gaan poolen – verder niets. Toch zit meneer V. in de rechtbank voor het neersteken van zijn buurman, die…