De tolk van meneer B., een vluchteling uit Aleppo, is rond de 30 en hoogzwanger. Een beetje puffend komt ze de zaal binnenlopen. Ze wisselt een korte blik met de rechter en kijkt dan naar B. ‘Meneer spreekt Koerdisch, volgens mij,’ verduidelijkt de rechter naar de tolk. ‘Ja. De verdachte spreekt Koerdisch-Syrisch. Kunt u elkaar verstaan?’
‘Nee,’ mompelt de tolk een beetje teleurgesteld. ‘Ik spreek geen Koerdisch. Nee, ja, sorry.’ Heel even lijkt er lichte paniek te ontstaan in de rechtszaal.
‘Nee, nou ja, ja,’ gaat de tolk weer verder. ‘Ik spreek Arabisch.’
‘Heeft u al gesproken met meneer?’ probeert de rechter. De tolk en meneer B. wisselen zachtjes wat woorden uit. Dan komt de tolk met het verlossende woord.
‘Meneer spreekt goed Arabisch.’
‘Oké,’ vraagt de rechter nog maar…
