In de rechtbank hangt een bedompte sfeer. Meneer Ter H. heeft een jonge, tengere, net gediplomeerde taxichauffeur gemolesteerd die de oorlog in Afghanistan ontvlucht was om in Nederland een rustig leven op te bouwen. Ook de taxichauffeur zit in de zaal, met zijn advocaat en een man die weleens zijn vader zou kunnen zijn. Meneer Ter H., een enorme Brabander met een baard, een oorbel en een schuldbewuste blik in zijn ogen, stapt de rechtszaal binnen. Ter H. gaat zitten, vouwt zijn handen nederig samen en buigt zijn hoofd.
‘Ik ben dus die avond gaan eten met mijn compagnon. En, oké, toen heb ik daar wel wat bij gedronken, maar vanaf een bepaald moment weet ik daar eigenlijk helemaal niks meer van. Toen ik de volgende dag mijn telefoon ben…
