VOORWOORD
‘Droom nu, reis later’, is het adagium waar ik mij aan vastklamp, net als iedereen bij wie reizen door de aderen stroomt. Straks kan het weer, straks kan het echt weer.
In de tussentijd zit er niets anders op dan in mijn eigen stad te ‘reizen’. Ik dwaal onder de blauwe lentelucht door een Utrecht zonder ochtendspits van haastige fietsers en files voor het stoplicht. In de verlaten straten, met slechts het geluid van vogels – het zijn er meer dan voorheen, lijkt het – vallen me ineens dingen op waarvoor ik eerder minder oog had. Ik kijk hoger, verder, dichterbij. Ik zie details: bordjes op monumenten ter herinnering aan beroemde eerdere bewoners, curieuze waterspuwers en windwijzers op kerken, prachtige gevels in plaats van schreeuwerige etalages, en bemoedigende slingers…
