■ AFGELOPEN HERFST nam de Mongoolse veehoeder Bazar Losol een groepje dorpsoudsten, onder wie mij, mee het Altajgebergte in. De middagzon scheen op de rotswanden, zodat de rotstekeningen van steenbokken, slangen, vogels, zonnen en manen zichtbaar werden, die allemaal worden vereerd als boodschappers tussen ons en de hemel, de aarde en de onderwereld. Ik was betoverd door de schoonheid van het oeroude Bajan Oendoer (‘rijke hoogten’), maar ik begon me ook wat ongemakkelijk te voelen. Het was alsof er iets ontbrak.
Toen stapte Bazar naar voren. In zijn donkerblauwe deel, een traditioneel gewaad, leken de rotspatronen terug te komen. Toen begreep ik wat me dwarszat: er waren geen mensen op deze heilige plaats. Anders dan in het Westen, waar mensen vaak uit de natuur worden geweerd om deze te beschermen,…
