Ik herkende hem meteen. Kleine man, opgeschoven naar midden zeventig, iets gezetter nog dan onze eerste ontmoeting twee jaar geleden. Het bankje in het park was onveranderd. In plaats van een Cornetto had hij nu een flesje water in z’n hand. “En?”, vroeg ik, “bent u de tuin weer ontvlucht voor de krijsertjes van de buren? Ze zullen wel weer vakantie hebben, toch?” Hij keek me doordringend aan. “Ohhh”, zei hij, “nou zie ik ‘t. U bent toch die man van MAX, die een stukje schreef over dat gekrijs van die buurkinderen van me, haha. Nou, dat is me nog wat geworden. M’n vrouw zei nog toen ze het las: ‘Het lijkt wel of het over jou gaat, Henk.’ Ik schrok me rot. Ik heb maar gedaan of ik nergens…
