“Als we vroeger uitgingen, was ik meestal degene die aanspraak had. Logisch, aldus Angela: zij was zó knap, dat jongens het moeilijk vonden om haar te benaderen. Ik, met mijn doorsnee-uiterlijk, was laagdrempeliger voor ze. Hun doel was natuurlijk om met háár in contact te komen, dat wist ze zeker. Omdat zij het gesprek altijd vlug overnam, stond ik er inderdaad vaak maar wat bij. Dat vond ik niet erg: ik was verlegen, verschool me graag achter haar. Mijn beste vriendin, van wie ik alles slikte. En wier woorden ik altijd geloofde. Ja, toen ik jong was, was Angela heilig voor me. Wat was ik blij dat zij mijn vriendin wilde zijn. Mijn thuissituatie was niet fijn en ik was opgelucht toen ik op mijn achttiende in een studentenflat ging…