‘Alles kan ik verdragen,’ schreef ooit de dichter Rutger Kopland, ‘maar jonge sla in september, net geplant nog, in vochtige bedjes, nee.’
Ik kan ook alles verdragen, maar de tandarts, hoe begripvol ook, nee. Ik lig achterover in de tandartsstoel en pas alle kalmerende theorieën door elkaar toe. Ik staar naar één zo’n wormpje op het systeemplafond – lukt niet, al die wormpjes gaan krioelen. Ik denk aan de golven van de zee, hoe ze komen en gaan. Lukt ook niet, want ik zie ondertussen hoe de tandarts zijn handschoenen aantrekt en een gruwelijk apparaat pakt. Ik zoem zo mindful mogelijk in op het moment. Dat werkt al helemaal niet, want ik wíl niet in het moment zijn.
De tandarts zegt dat hij zal vertellen wat hij gaat doen. En…
