Ochtendlijke drukte. Gehaast probeer ik Yaël de trap naar de dagbesteding op te laten lopen. “Goed zo,” zeg ik, haar ondersteunend, “dat is goed de trap op lopen.” Over een kwartier moet ik op mijn werk zijn, maar ik probeer mijn haast voor Yaël te verbergen: zodra ze voelt dat ik snel, snel, snel wil, zet ze haar hakken in het zand. Dat doet ze niet om dwars te liggen, maar omdat ze er gewoon niet tegen kan, tegen haast. Ik denk eigenlijk dat de meeste mensen niet tegen haast kunnen, maar vaak dwingt de klok ons ertoe. Yaël heeft lak aan agenda’s en tijden. ‘Op tijd komen’ zegt haar niets. Ze doet niet aan haast. Althans, niet aan mijn haast.
Zo, we zijn in de hal aanbeland. “Dag Yaël,”…
