Er is geen onder of boven. Slechts de koude omhelzing van het water en de fluistering van de rivier: Laat je gaan. Ik zou me moeten verzetten, maar mijn lichaam, dat al niet meer van mij lijkt, trekt me steeds verder de donkere diepte in. Hier en daar dringt het maanlicht flonkerend het duister binnen, als een laatste signaal uit de bovenwereld.
Een school zilveren visjes duikt op en verdwijnt even snel weer in het donker. Slierten wier strijken zacht langs mijn gezicht. Nog even en ik ben deel van de rivier, deel van de eeuwige stroom. Er is geen angst, geen spijt, geen pijn. Dit is het dus, zo ga je dood. Ik sluit mijn ogen.
Pas als mijn voeten de zompige bodem raken, schrik ik op uit mijn…