De lente was tot volle bloei gekomen en Marilla’s passen, meer ingetogen en rustiger sinds ze een dagje ouder werd, waren vandaag lichter en sneller in de jubelende blijheid van de natuur. Ze tuurde door het netwerk van bomen en haar blik bleef liefdevol op het Groene Huis rusten, waarvan zonlicht in trotse fonkelingen van de ramen weerkaatste.L.M. Montgomery, Anne van het Groene Huis, hoofdstuk XXVII Het was een door regen gekoelde meimaand die meer als winter dan voorjaar voelde. De appel-, kersen en pruimenbomen bloeiden minder uitbundig dan gebruikelijk. Bloesemblaadjes lagen als confetti op het geveldak en werden zonder dat iemand ze zag van de overhangende dakrand gespoeld. Marilla en Matthew werkten zij aan zij als paarden met oogkleppen voor; ze ploegden eenvoudigweg voort zoals ze dat altijd hadden…