Het was voorjaar 1970. Ik rook de bruinkool in de lucht en zag de witte gordijnen die moeder gebreid had en die met de tijd steeds grauwer werden. Dikke voorhangsels met een dicht patroon van gebreide kant, die ons platte Silezische patois moesten dempen. De gordijnen waren de grens tussen bedrog en waarheid. Buiten waren we Pools, binnen bleven we Duits.
Tijdens de avonden kwam de warmte van de kachel. Niet van jou. Op een van die nietszeggende avonden duwde je een kleine viool in mijn handen. Een kwartviool.
‘Kom, we gaan spelen,’ zei je en je pakte een versleten zwarte vioolkoffer uit de kast. In de koffer zat nog een viool, een grotere. De lak was roodbruin en glanzend. Op het ogenblik dat je de viool onder je kin…