Safia
Ik dein mee op de bewegingen van moeders rug, verstop me in de graanvelden van vader, luister naar het verhaal van de krekel, snoep van de stapel met honing doordrenkte broodjes. Bij de poort staat de ezel en onder de oude vijgenboom droog ik couscous met mijn zussen. We zwaaien naar de twee kleine jongens die spelen op de markt.
Ik laat de vreemd vertrouwde jongen binnen in mijn keuken, in mijn huis, in mijn hart, waar zijn stem niet zal vervagen en zijn geur nooit zal vervliegen. Dan loop ik het pad op, de weg die ik moet gaan, waar de wervelwind mij omhult en bedekt met zand.
Haar lichaam, een broos omhulsel, was ze vaag gewaar. Haar armen lagen naast haar met naar beneden gedraaide handpalmen, rustend…