Bette Westera schrijft over smaken, over eten en gegeten worden, over vegetariërs en over de reis van eten ‘van kop tot kont’. Dat levert grappige gedichten op, waar je soms even over moet nadenken. Zoals de brandbrief van een klas die vindt dat de snoepfabriek moet stoppen met gelatine in snoep, want dat zijn ‘dode dieren’. Of het gedicht Hazenhemel, waarin iemand droomt hoe hazen na hun dood wraak nemen op de jagers: ‘Ze maken portefeuilles van hun vellen / en eten ze, met aardappelpuree / Je kunt er jagerschnitzeltjes bestellen/ en biefstuk van de jager, en saté.’
Korte schapenpootjes
Het leukste in dit boek zijn de ‘broodjes aap’, de sterke verhalen. Soms zijn ze waar, soms verzonnen. Geloof jij dat er in Schotland schapen zijn met twee kortere poten,…