Het was op een pinksterdag, ergens in de late Middeleeuwen, dat Hadewijch haar geliefde zag en werd overvallen door begeerte. Die was zo intens dat haar lichaam schokte. Hadewijch móést hem voldoening schenken en haar verlangen vervullen, want ze voelde dat het anders haar dood zou worden. Dit was geen erotische ontmoeting, maar een religieus visioen, zoals Hadewijch die vaker had. De geliefde in het verhaal was geen mens, maar de Allerhoogste, God zelf.
Woorden schoten tekort om zo’n ervaring te beschrijven, maar Hadewijch probeerde het en daarom kunnen we een eeuw of acht na dato nog lezen over haar verhouding tot de Heer. Wel met enige moeite, want voor tijdgenoten waren haar teksten al niet helder en jaren later zijn ze, vanuit een heel andere wereld, nog moeilijker te…
