De Britse textielfabrieken waren in de jaren 1860 afhankelijk van goedkoop, door slaven geproduceerd katoen uit de Zuidelijke Staten van de VS. De blokkade door de Unie van de Zuidelijke havens was dan ook een ramp, en in 1862 kelderde de katoenexport.
De industrie ging koortsachtig op zoek naar nieuwe katoenmarkten. ‘Haal zo veel mogelijk uit India,’ zei Charles Wood, de minister voor die kolonie.
De import uit India loste het aanvoerprobleem in Engeland op, maar had plaatselijk rampzalige gevolgen.
‘De uitbreiding van het teeltgebied van katoen gebeurde vooral door geen gierst, peulvruchten, linzen enzovoort te oogsten,’ schreef een belastingbeambte in 1864. In combinatie met een hevige droogte leidde de omschakeling op katoen tot een gebrek aan basisvoedsel in India, en in 1864 en 1865 stegen de prijzen met 325…
