Tegenwoordig schelden tegenstanders me ook vaak uit. Maar dan noemen ze me bijvoorbeeld ‘praatgrage eikel’. En dat klopt wel Als klein jongetje werd ik geregeld op de zaterdagochtend gediscrimineerd. Ik was de enige kleurling in mijn elftal. Dan ben je vaak een mikpunt, merkte ik al vrij snel. Ik begon altijd stoïcijns aan een wedstrijd, nooit hoorde je me klagen of zag je me etteren met tegenstanders. Maar als iemand over mijn afkomst begon, werd ik een vervelende voetballer, iemand die spuwde, kneep en soms zelfs natrapte. Niet zelden verliet ik huilend het veld, omdat ik mijn tegenstander een pak rammel had gegeven, nadat hij me continu aan het beledigen was, en ík om die reden werd verbannen. Dat voelde allemaal heel oneerlijk. Het gaf een machteloos gevoel.
Maar, ik…