Twee keer ging hij dood, twee keer op een bijzondere manier. De eerste keer, vijftig jaar geleden, pats-boem, domme pech op slag. De tweede keer, verleden week, was het bijna poëzie, hoe vernederend ook.
Toen ik nog bij mijn ouders woonde, woonde de uil in het dichtbeboste stuk grond bij onze tuin. Ransuilen hoor je niet en ransuilen zie je niet, pas in de nacht komen ze tot leven om op muizenjacht te gaan. Als we laat buiten zaten, zagen we hem wel eens geluidloos overvliegen, op weg naar prooi. Het woord ‘muisstil’ dringt zich op. Ik wist waar hij, jaar na jaar, nestelde. Als schooljongen verzamelde ik zijn uitgebraakte uilenballen, elke morgen vers onder de boom. Thuis probeerden we van de uitgepluisde botjes weer een logisch muizengeheel te maken.…
