OP DE CATWALKS tijdens fashion weeks in modesteden als Milaan en Parijs zien we de ene na de andere progressieve creatie voorbijkomen. Maar zodra na een show de ontwerper zijn moment in de spotlights pakt, speelt er zich vooral een ouderwets tafereel af: de designer is vrijwel altijd een man. Iets dat haaks staat op een industrie die zegt vrouwen te vieren. De vrouw is immers de muze, de consument en de werkneemster die de stukken naait. Maar om de een of andere reden is het vrijwel nooit de vrouw die de collectie bedenkt.
Kijk maar naar de grootste modehuizen. Dior, Chanel, Balenciaga, Versace, Givenchy, Louis Vuitton, Saint Laurent, Gucci, Prada, Bottega Veneta, Burberry, Loewe, Fendi, Valentino, Schiaparelli en Celine. Samen vormen ze de absolute top van de fashion-industrie. Maar…