Ze hadden beet, vier paar ogen op het groenbruine water gericht. Het bleek een stuk hout waarachter de haak was blijven hangen. Ik vroeg ze of ze al iets hadden gevangen, de vier jongens, tussen de twaalf en veertien jaar schatte ik ze, en ik wierp een blik in hun emmer. De één schudde zijn hoofd, pakte een made uit zijn potje, spieste het kronkelende wezen aan een glinsterend haakje en gooide uit. “Nog niets, maar we kletsen ook veels te hard,” grijnsde de kleinste van het stel. “Wat willen jullie vangen?” vroeg ik, hangend over de reling, ze antwoordden met brasem, snoekbaars, karper. “En jou,” zei een jongen, de enige met beugel, hij leek de oudste. “Mij?” vroeg ik quasi-dwaas, ik wilde hem nog de kans geven zijn opmerking…