Mijn moeder is begraven. Op haar sterfdag lopen mijn vader en ik over een kerkhof waar ze niet ligt. Lelystad, zo’n plek waar we niemand kennen, geen doden, geen levenden. We lopen daar met ferme stappen, de grindsteentjes knarsen haastig mee, ik denk aan hoeveel voeten over ditzelfde pad hebben gelopen maar dan schuifelend, in een rouwstoet, op weg naar een nog leeg graf dat gevuld zou worden met een kist, met bloemen, met een geliefde in die kist, onder die bloemen. Zand erover.
“Lekker wel,” zeg ik tegen mijn vader. “Het is altijd lekker weer op je moeders sterfdag,” antwoordt hij. “Nee, ik bedoel dat het lekker is om over een kerkhof te lopen waar niemand ligt om wie je rouwt.” We lezen onbekende namen, achter elke steen zit…