Mijn kamer was op de bovenste verdieping. Het leven op de grond kon ik niet zien, ik had enkel dakramen. Vanaf mijn bed telde ik wolken, zag ik regen arriveren, onweer, boomtoppen heen en weer wiegen. De vloerbedekking was lelijk oranje, de wastafel had een loshangende kraan, het keukentje was incompleet want geen fornuis ‒ ‘Wat heb je nou aan een keuken waar je niet kunt koken?’ vroeg mijn vader, toen hij me naar dit studentenhuis verhuisde. Maar als iets als een thuis voelt, neem je genoegen met de minpunten, nee, dan omárm je de minpunten. Zestien vierkante meters thuis, ze voelden als een rijkdom, die ik aankleedde met fotolijstjes, kaarsen, lampjes, planten, filmposters. Mijn leven werd verrijkt met zeven huisgenoten, ik herkende ze aan de manier waarop ze de…