Het zou een varkentje zijn. Een varkentje dat ik wel effe zou wassen. Hoe vaak ik toch al, in de afgelopen zeven moederloze jaren, in dat verdriet was gedoken, vuistdiep, kopje-onder, ondersteboven zelfs soms, en ik kwam er weer uit. Ik kwam er altijd weer uit. Soms wijzer, soms verwarder, soms verdrietiger, soms labieler, bozer, verdommeverdomme waarom dan dood!?! Soms kwam ik er filosofischer uit: wat betekent nooit meer, hoe zou een hemel eruitzien, is het kinderachtig om na te denken over een Paolahemel, met rosé en muziekboxen waar U2 uit schalt, en volleybalveldjes, en is het dan gek als ik me druk maak over het feit of ik daar dan welkom ben (ik hou van rosé en U2 maar niet van volleybal, ‘daar ben je ook te klein voor’,…