Het windlicht in de vensterbank, gevuld met goud- en crèmekleurige kerstballen, kantelde, viel en spatte met een knal op de vloer uiteen. Twee ballen rolden onder de kast, van de rest bleef niet meer over dan een glinsterend kleed van scherven en splinters. Van schrik morste Sarah een golf thee over haar trui. Ze vloekte en zette de mok op tafel, haar boek gleed van haar schoot.
In de hoek van de vensterbank, voor een deel verscholen achter het gordijn, zat Boris. Zijn zwarte staart zwiepte triomfantelijk langs de verwarming, alsof hij tevreden was met de herovering van zijn territorium. Sarah liep naar hem toe, tilde hem op en overzag de schade met een zucht. ‘Dat is niet lief, Boris,’ zei ze, met haar wang tegen zijn vacht.
De kat…
