Uit het niets. Een telefoontje van zijn broer. Dat het plotseling niet goed ging met hun moeder. Dat ze nu in het ziekenhuis waren. Urvin, destijds tweeëndertig jaar, nu tien jaar geleden, greep zijn jas en vertrok. Hij arriveerde te laat. ‘Het was een zondagochtend. Blijkbaar voelde ze zich die nacht niet lekker. Pijn aan haar hart, misselijk. Er was daarvoor helemaal niets met haar aan de hand. Ze runde een dansschool en was fit. Ik kreeg dat telefoontje van mijn broer en haastte me naar het ziekenhuis.’
Bier drinken dempte de pijn. Het ging van een paar biertjes naar sixpacks, en toen kratjes Wat Urvin vervolgens zegt, doet hem lachen, maar het is lachen om het absurde, het onbegrijpelijke, het onvoorstelbaar pijnlijke. ‘Ik heb haar nooit meer kunnen spreken,’…
