Augustus 1888, de schoolvakantie is net begonnen. In de ochtendschemer ligt de Waldhofstraße in Mannheim er nog verlaten bij, eigenlijk net als iedere zondag het geval is op dit vroege tijdstip. Plotseling zwaait bijna geluidloos een zware houten poort open. Twee jongens duwen zwijgend een grote driewieler de weg op. Boven op het karretje, op een met leer overtrokken houten bank, zit een vrouw, de moeder van de twee knapen. Met een helmstokachtige hendel stuurt ze het voertuig de straat uit, de hoek om. Voortdurend kijken de jongens over hun schouder, alsof niemand hen mag betrappen. Pas wanneer ze zich veilig wanen, geeft de oudste van de twee, Eugen (15), een stevige ruk aan het grote vliegwiel achter aan de wagen. Er gebeurt niets. Hij probeert het nog een paar…
