De adoptiebroer van Joske was onhandelbaar “Toen hij uit huis ging, begon mijn jeugd ”
Van jongs af ontweek Joske Kuut (43) haar adoptiebroer Onno. Pas na zijn dood ontdekte ze het verhaal áchter zijn gedrag. Dit veranderde niet alleen haar kijk op hem, maar ook op zichzelf.
f100-01.jpg
“Mijn ouders hebben hun best gedaan, maar ze kregen geen grip op hem”

“Op 31 maart 2009 had ik vier gemiste oproepen van mijn moeder. Mijn broer Onno was dood. Vermoord. Dertig was hij. Ik was in shock. Hij was begraven in het duingebied van Hoek van Holland. Waarschijnlijk lag hij daar al negen dagen voordat iemand het ontdekte. Het voelde zó onwerkelijk, ik had wel honderd vragen, ik kon het niet geloven. Zoiets zie je in films, niet in je eigen familie.

Ik ben opgegroeid in een rijtjeshuis in Enschede, in een gezin met vier kinderen: drie jongens en één meisje. Nadat mijn oudste broer was geboren, adopteerden mijn ouders een baby van negen maanden uit Zuid-Korea. Vanuit idealisme, om een kind een tweede kans te geven. Dat was Onno. Hij was vier jaar ouder dan ik. Van kleins af aan was hij dwars en had een kort lontje. Ik liep echt op m’n tenen, bang dat er weer ruzie uitbarstte. Ik ontweek hem. Mijn kamer was mijn schuilplaats waar ik even kon verdwijnen in een boek.

Als kind al stal Onno snoepjes en loog hij alles bij elkaar. Later ging het van kwaad tot erger: hij duwde bij een oudere buurvrouw zwaar vuurwerk door de brievenbus. Als hij werd uitgescholden voor ‘stomme Chinees’ sloeg hij erop los. In de brugklas bedreigde hij een docent, een klasgenoot verwondde hij met een vlijmscherpe passer. Hij was onhandelbaar. Ik schaamde me voor mijn broer, tegelijkertijd maakte het me ook verdrietig. Het was een wirwar van emoties die ik liever wegdrukte.”

Dieptepunt

“Op zijn vijftiende is hij uit huis geplaatst, eerst in een internaat, later woonde hij een tijd bij familie. Voor mijn ouders was het dieptepunt bereikt. Ze gingen scheiden toen ik veertien was. Onno ging bij mijn vader wonen. Ik bleef met mijn twee andere broers bij mijn moeder. Ik was enorm opgelucht, er viel een last van mij af. Eindelijk kon ik ademhalen. Ik had het gevoel dat mijn jeugd toen pas begon, ik bloeide echt op.

“Jarenlang stopte ik alles weg: boosheid, verdriet, schuldgevoel”

In de jaren daarna maakte ik mijn middelbare school af, was fanatiek bezig met basketbal en ging op m’n achttiende uit huis om te studeren. Onno zag ik nauwelijks. Als ik bij mijn vader logeerde, was hij de hort op met zijn vrienden. Er werd nauwelijks over hem gepraat, dat vond ik wel zo rustig. Als ik er niet mee bezig was, was het er ook niet. Nooit had ik kunnen bedenken dat we jaren later dat telefoontje van de politie zouden krijgen.

Rond z’n twintigste had Onno zich aangesloten bij de harde kern van FC Twente. Voetbal, rellen, hooligans, dat werd zijn leven. Hij belandde een jaar in de bak vanwege gewelddadige rellen. De enige bij wie hij daarna nog over de vloer kwam, was mijn moeder. Maar toen hij ouder werd, kreeg ik het idee dat hij z’n leven meer op de rit kreeg. Wekelijks kwam hij een uurtje bij mijn moeder koffiedrinken, dan praatten ze over koetjes en kalfjes, las hij de krant, rookte één sigaret en dan ging hij weer. Hij was manager in een nachtclub, zag er altijd goedgekleed uit en had een mooie auto. Hij heeft mijn moeder zelfs eens een rondleiding gegeven. Oké, het was een nachtclub met stripteasedanseressen, maar het was een vaste baan. We hadden echt geen idee waar hij zich verder mee bezighield.”

“Blijkbaar was hij bij anderen wel geliefd geweest. Dat gaf me een schuldgevoel”

Vervreemdend

“Na zijn dood vertelde mijn moeder dat hij twee maanden eerder had gezegd dat hij ‘een tijdje weg moest uit Enschede’, maar hij wilde niet zeggen waarom. Hij was emotioneel, huilde en gaf haar een knuffel. Dat deed hij anders nooit. Ze had niet verwacht dat ze hem nooit meer zou zien.

De uitvaart beleefde ik in een roes. Er waren vierhonderd mensen – veel mensen die wij niet kenden. Ruige types van de harde kern van FC Twente en een motorbende. De politie was er undercover, omdat ze aanwijzingen hadden dat hij in het criminele circuit zat. Braziliaanse dames huilden bij de kist en aaiden over z’n arm, waarschijnlijk danseressen uit zijn nachtclub. Waarom huilen zij wel en ik niet?, schoot er door me heen. Veel mannen gaven een klopje op de kist als teken van genegenheid. Ze waren ook ontzettend aardig naar ons toe. Het was vervreemdend: ik voelde zelf niks, geen verdriet, terwijl het mijn broer was. Maar blijkbaar was hij bij anderen wel geliefd geweest. Dat raakte me, ik voelde me ook schuldig. Dat anderen wél die band met hem voelden die ik zelf niet met hem had.

Daarna ben ik doorgegaan met mijn leven. Ik was niet verdrietig, niet in rouw. In de familie werd er weinig over gepraat. Eerst wisten wij ook niet wat er was gebeurd, pas drie jaar later kwamen er verdachten in beeld en veel speculaties. Was hij lid geweest van een bende? Hij had Chinese tatoeages op zijn rug, net als anderen die bekendstonden als de ‘tattoo killers’. Was het een interne afrekening? Online kwamen er na elk nieuwsbericht veel hatelijke reacties: ‘opgeruimd staat netjes’ en ‘eigen schuld’.

Mijn ouders werden door het slijk gehaald als ‘slechte opvoeders’. Heel pijnlijk, het deed ons veel verdriet. Ik wist hoe mijn ouders hun best hadden gedaan, maar geen grip op hem kregen. Tegelijkertijd voelde ik afschuw over mijn broer: wat had hij allemaal gedaan?”

“Ik ben nu milder, probeer nu te zien wat er áchter bepaald gedrag schuilgaat”

Lotgenotengroep

“Negen jaar na zijn dood werd ik gebeld door Slachtofferhulp. Ik had recht op slachtofferhulp, maar was er na de moord blijkbaar ‘tussendoor geglipt’. Of ik alsnog een gesprek wilde? Ik zei ja. Jarenlang had ik alles weggestopt: schaamte, boosheid, verdriet. Maar ook schuldgevoel: had ik meer kunnen doen om hem op het rechte pad te houden? Na jaren alles wegstoppen was het fijn om hierover te praten.

Ik sloot me aan bij een lotgenotengroep, nabestaanden van geweldslachtoffers. Het voelde als een warm bad. Ik was daar welkom en werd niet aangekeken op de daden van mijn broer. Die haatreacties op social media waren niet in m’n koude kleren gaan zitten. Ik begon me steeds meer dingen af te vragen: waarom was Onno zo geworden? Wie wás hij eigenlijk? Ik wilde meer weten over zijn afkomst.

Een jaar voor zijn dood was Onno in Seoul geweest bij een sportevenement. Er was een foto van hem, mediterend bij een tempel. Hij straalde zo’n rust uit. Een vriend vertelde later aan mijn vader dat mijn broer zich thuis voelde in Korea, hij wilde later teruggaan en de taal leren. Na zijn dood heeft mijn vader een deel van zijn as uitgestrooid bij die tempel. Ik wilde ook naar die tempel toe, zijn nabijheid voelen. Die drang werd steeds sterker, ik kan het niet verklaren.”

f103-01.jpg

Overvallen door verdriet

“In 2018 bezocht ik het weeshuis waar mijn ouders Onno hadden geadopteerd. Zijn dossier was er nog. Ik ontdekte dat hij was gevonden in een vies steegje, in een vuilcontainer. Daar lag hij, als baby van twee weken oud, met een flinke wond op zijn gezicht. Het was eerste kerstdag, het vroor. Schokkend. Een politieman hoorde hem huilen en heeft hem gevonden. Dat hebben mijn ouders nooit geweten. In het weeshuis was er geen liefdevolle zorg. Op foto’s zag ik een schuimblok liggen in elk wiegje met een flesje erin, zodat de baby zelf kon drinken. Er was geen warmte, geen liefde.

In Korea vielen alle puzzelstukjes op hun plek. Toen ik bij die tempel was, voelde hij zo dichtbij. Ik werd overvallen door verdriet om dat kleine jongetje, voor dood achtergelaten in een vuilcontainer. Ineens begreep ik hoe hij de man was geworden die hij was. Als baby was hij zwaar getraumatiseerd, dáárom vertoonde hij vroeger dat dwarse gedrag. Dat besef raakte me diep. Dit inzicht heeft mij veranderd. Ik ben milder geworden en probeer nu te zien wat er áchter bepaald gedrag schuilgaat. Dit hele proces maakte me ook bewust van mijn eigen oordelen, mijn harde kant. Ik ben me gaan verdiepen in het menselijk brein, gedrag en ons natuurlijke instinct om te oordelen over anderen of situaties. Ook las ik veel over de invloed van jeugdtrauma’s en onveilige hechting op later gedrag. Ik heb zelf moeten leren om vragen te stellen, nieuwsgierig te zijn naar een ander, te kijken met mildheid. Dat bracht me meer rust, energie en vooral mooie, eerlijke gesprekken. Het inspireerde me om daar meer mee te doen. Nu train ik anderen en geef ik lezingen over dit onderwerp.”

Vergeven

“Natuurlijk voelt het soms dubbel en ergens blijf ik worstelen. Maar ik heb nu wel meer begrip voor mijn broer. Vroeger had ik een hekel aan hem. Ik keur zijn daden niet goed, maar het lukt me nu wel om een persoon los te koppelen van zijn daden. In plaats van te oordelen denk ik: hoe heeft het zover kunnen komen? Wat speelt er in het leven van die persoon? Bij mijn broer hadden de traumatische ervaringen in Korea een enorme impact op zijn latere gedrag.

Ik heb hem vergeven voor zijn gedrag in mijn jeugd. Wat hij zocht bij de hooligans werd me laatst pas echt duidelijk. Ik lunchte met een vriend van hem, met hem heb ik soms nog contact. Hij zei: ‘Bij de harde kern maakt het niet uit wie je bent, of je nou spleetogen hebt, dik bent of een kleurtje hebt. Ze zullen je nooit afvallen. Je komt er voor één ding: voetbal en rellen. Je hoort er gewoon bij.’ Die acceptatie van wie hij was, vond Onno daar. Hij had behoefte aan erkenning en verbinding. We zijn nu zestien jaar verder. Pas nu voel ik verdriet dat hij er niet meer is en kan ik zeggen: ik hou van hem.”

STYLING: KARIN VAN DER KNOOP. HAAR EN MAKE-UP: ASTRID TIMMER KLEDING: JASJE (RICH & ROYAL), BLOES (ZARA), BROEK (C&A)