
Daar zitten we dan, in Hotel New York, hét domein van de Rotterdamse deftigheid. Bon ton bij zakenlui, toeristen én liefhebbers van oesters. Buiten is het koud en guur.
Weer zo’n typische avond, weten Rotterdammers: kou en het waait. Hard. Wie uit het raam van Hotel New York kijkt ziet de voorbijgangers ploeteren. Een ijswind in hun gezicht. Koude handen, bevroren neuzen. De werkdag zit er voor deze mensen op, het is vijf uur ’s middags. Deze mensen gaan op huis aan. Avondeten, tv-kijken en naar bed. En dat dan morgen opnieuw.
Binnen is het anders. Binnen is het warm. Weldadig. Er staan zakenlui te babbelen, er wordt geflirt, toeristen maken foto’s van elkaar en van de prachtige bar.
En Ruben Arnhem? Hij is op zijn luxe fatbike gekomen (“Ik was de eerste in Nederland met zo’n fiets, lang voor het ordinair werd”), zet z’n tas neer, gaat zitten en bestelt bij een toegesnelde ober meteen maar ‘een lekker wijntje’. Je kunt niet om hem heen: hier zit iemand. De lach is gul, zijn gesprekstoon hard. Arnhem is allesbehalve een muurbloem.
Oesters en kreeft
Toe, deel je geheim eens, vraag ik. Dat geheim staat in zijn boek De zoon van mister Chic. Arnhem is namelijk de zoon van een horecaondernemer, mister Chic dus, die weet wat erop los leven is. In dat boek beschrijft hij vurig wat nog het meest op een grand tour lijkt: de tour die hij maakte door Europa. Vroeger deden jongens uit de deftige milieus dat. Die werden dan door ouders door Europa gestuurd. Ga maar van het leven proeven! Nou, proeven doet Ruben Arnhem zeker. Van luxe diners. Van eerste klas vliegen. Van oesters en kreeft. En weet je wat zijn les is, zegt hij? Iedereen kan het. Echt waar.

“Als mensen vragen of ik rijk ben, zeg ik altijd dat ik geniet van het goede luxe leven, zonder echt rijk te zijn,” schrijft hij dan ook in zijn boek. “Ik ben echt niet bijzonder, hoor. Ook ik sta weleens in het rood, net als vele andere Nederlanders, als ik te veel heb uitgegeven. Alleen weet ik hoe ik dat snel weer opgelost heb, zodat ik geen schulden krijg. Daarnaast hoeft het goede leven niet altijd veel geld te kosten.”
Neem nou zijn avontuur in Italië, vertelt Arnhem als het wijntje is gebracht. Daar bezocht hij, als een koning, de opera. “Van een kennis had ik geleerd om een iets goedkoper kaartje te kopen, waarmee ik stiekem kon plaatsnemen bij de stoelensecties van 200 euro en hoger,” bekent Arnhem. “Aangezien die stoelen toch nooit allemaal worden verkocht. Daar zat ik hoor, tussen de gelukkigen die meer dan 200 euro hadden neergelegd voor een operakaartje.”
‘HET VERDIENMODEL VAN LINKS IS OM MENSEN ZIELIG TE HOUDEN. HOE ZIELIGER ZE ZIJN, HOE MEER SUBSIDIE ZE KRIJGEN. BETER PEP JE DE MENSEN OP’
Wat het verschil maakt tussen daar zitten en de goedkopere stoelen? Voelen dat je leeft, vindt Arnhem: “De medewerkers die je verwelkomen, het glaasje prosecco voor aanvang.”
Jouw persoonlijke grande entree in de arena: dat is wat Arnhem blij maakt: “Het is kijken en bekeken worden, voortdurend glimlachen en buonasera zeggen tegen Jan en alleman. Applaudisseren voor de dirigent én genieten van een prachtige opera. Dat is voor mij zeker een onderdeel van het goede leven.”
“Kijk eens om je heen,” zeg ik na de eerste paar slokken wijn. “Wat zie je? Zijn de mensen goed gekleed?” Arnhem kijkt om zich heen, aarzelt een beetje en haalt zijn schouders op. “Op zich wel.”
Zelf blijkt hij een wandelende paradox: de twee keer dat we elkaar voor dit verhaal ontmoeten, ziet hij er twee keer casual uit. Dat verrast me. Ik had een pak verwacht. “Maar ik ben ook vaak hypocriet,” zegt Arnhem. “Dat weet ik ook van mezelf. Dat is iedereen.”
Maar kostuum of niet: Arnhem blijkt in ieder geval een conservatieve liberaal. De moraal van zijn verhaal: kansen moet je zien en grijpen. Als je valt, kun je opstaan. Bovendien: het goede leven hoeft je dus niet altijd veel geld te kosten, schrijft Arnhem, die lesgeeft op een businesscollege, in zijn boek. “Wat ik kan, kan jij ook,” zegt hij. “Dat zie ik ook terug bij mijn studenten. Een student van me droomde van kreeft. Hij wilde zo graag een keer kreeft eten! Maar hoe? Dit was zijn leven niet. Hij kon zich bij de haalbaarheid van zijn idee niks voorstellen. Mijn advies aan hem was: reken nou eens goed uit wat het je kost. Spaar. Creëer een budget. En geniet een avondje. Die jongen heeft dat op die manier gedaan. En hij had het heerlijk. Normaal zou zo’n jongen dat dus nooit doen. Dat is een ver-van-zijn-bedshow. En dat vind ik dus tof. Om anderen daarin te inspireren. Doe het gewoon! Want dat hele ‘van een dubbeltje kan je geen kwartje worden’ vind ik vreselijk. Daarmee ben je mensen onnodig klein aan het houden. Dit is ook een beetje mijn botsing met links, natuurlijk. Want ik zeg vaak: het verdienmodel van links is om mensen zielig te houden. Want hoe zieliger ze zijn, hoe meer subsidie ze krijgen. Beter pep je de mensen op. Het gaat nu slecht? Nou, dan gaan we ervoor zorgen dat het goed met je gaat. Niet door te zeggen: je bent zielig, je hebt een kleurtje, je hebt een beperking. Nee. Door te zeggen: iedereen mag een steentje bijdragen aan de maatschappij. Ook deze mensen. En het is juist tof als je een steentje kan bijdragen aan de maatschappij!”
Dus jij verblijft op de rechterflank van het politieke spectrum. Of is het niet zo simpel?
“Nou, ik ben bijvoorbeeld ook voor gratis openbaar vervoer. Ik ben ook voor cultuursubsidies. Natúúrlijk ben ik dat. Omdat ik dat soort dingen belangrijk vind voor iedereen. En dat is dan ook weer een beetje de grotere boodschap van mijn verhaal: iedereen moet kunnen genieten van iets. Iedereen moet van cultuur kunnen genieten. Iedereen moet van A naar B kunnen reizen om te werken. Ik ben zelfs voor gratis onderwijs. Kijk naar mij: ik heb nu zelf zoveel gestudeerd, dat als ik nu in Nederland wil studeren, ik 7000 euro zelf moet betalen. Lekker motiverend. Alleen al in België is dat anders, maar een paar honderd euro. Ik heb het verder willen studeren dus gewoon opgegeven, omdat ik dacht: een nieuwe studie kost zoveel. Dat is echt zonde.”
Tegelijkertijd zeg je: ik ben wars van bemoeienis door de overheid. Heb je dan wel geluisterd naar diezelfde overheid en een noodpakket in huis gehaald?
“Nou, ik heb dus géén noodpakket. Ik vind het ook maar overdreven. Ik red me zelf wel op mijn eigen manier. Ik hoef niet iemand te hebben die zegt: je moet het zo en zo doen, je moet dit in huis hebben. Ik heb thuis al een EHBO-kit. Het is allemaal overheidsbemoeienis, hè. En ik regel het zelf wel. Het kan gebeuren dat er iets mis gaat, dat weet ik ook wel. Dus zorg dat je iets hebt om jezelf te redden. Dat is altijd handig. Maar overheidsbemoeienis: weg ermee.”
Het gaat jou om individuele vrijheid. Je schrijft: Ik heb van huis uit altijd geleerd om trots op mezelf te zijn.
“Sommige mensen blijven nog altijd op mij neerkijken, dat maak ik al mijn hele leven mee, maar dat doet me niks meer. Ik heb jaren jeugdtheater gedaan. Daar leerde ik: je moet schijt hebben aan mensen. Schijt. Ik was vroeger een beetje verlegen en kreeg te horen: heb gewoon schijt. Doe gewoon wat je wil. Dat was een goede suggestie. Want al snel dacht ik: ja, inderdaad! Laat de mensen maar praten. Ik acteerde eerst ook een beetje te bescheiden. Het moest allemaal groter. Groter! En dat heeft gemaakt dat ik ergens, als ik tegenwoordig binnen kom, een grande entree maak.”
Jij moet écht niks hebben van kleurloos.
“Nee, ik wil echt een beetje sfeer in de brouwerij. Ik noem mezelf wel conservatief, maar dat hoeft niet saai te zijn. Het gaat mij gewoon om waarde hechten aan onze Nederlandse basis. En die basis draait altijd om onze joods-christelijke tradities. Ik wil terug naar die basis.”

Het motto van Ruben Arnhem: dream big.
Want daar zijn we van afgeweken?
“Kijk, ik drink alcohol.
Mensen zeggen: o, waarom dan? En als ik nu naar de wc moet, moet ik echt even kijken of het een genderneutraal toilet is. Waar mag ik naar de wc? Ik wil gewoon een pispaal hebben! En tussendoor een beetje lullen met andere mannen. Ik ben juist blij dat ik man ben en staand kan plassen. Maar nu zit ik opeens tussen de vrouwen die het ook ongemakkelijk vinden.”
Rotterdam is natuurlijk de stad van de Pride.
“Ik ging vroeger naar de Pride, voor het feest, dat was gezellig. Maar de parade door de stad die erbij is gaan horen... Ik ben van mening dat het niet meer nodig is om je zo op te stellen. Deze gemeenschap is al onderdeel van de maatschappij. Ik ga nu ook niet meer naar de party’s toe. Want ik vind dat de Pride door links is gekaapt. Ken je die nieuwe regenboogvlag? Met die ster, die driehoek? De regenboogvlag was er altijd voor iedereen, zelfs voor hetero’s. En nu is er opeens gezegd: nee, de transcultuur hoort erbij, non-binair hoort erbij, black lives matter ook. Nou, dan kun je net zo goed pedofilie erbij gaan zetten, vind ik. Het is een soort vergaarbak geworden, die vlag.”
Je moet er weinig van hebben.
“Daarom bots ik ook af en toe met die gemeenschap.”
Van zo’n felle mening word je niet populairder.
“Dommige vrienden willen mij niet meer spreken. Zij vinden mij een transfoob. Terwijl ik zeg: iedereen mag er zijn. Laat mensen alsjeblieft hun eigen ding doen.”
Vrienden verliezen is wel echt sneu.
“Ja. Maar dat komt echt door sommige uitspraken die ik doe.”
Je leefde onlangs zelfs een week van het minimumloon, las ik.
“Omdat ik kritisch was over armoede heb ik een week geleefd op bijstandsniveau. Om echt te voelen hoe dat nou is. Dus had ik 200 euro te besteden. En in die week heb ik best goed gegeten, hoor. Ik heb ook goed boodschappen kunnen doen. Ik vond een Franse kip voor 5 euro. 70 procent korting. En ik had uiteindelijk zelfs 10 euro over. En toen heb ik voor 10 euro nog een theaterkaartje met jongerenkorting gekocht. Waar ik nog een gratis glaasje wijn bij kreeg.”
Je lijkt in een andere bubbel te verkeren, maar ben je geschrokken van hoe anderen in armoede moeten leven?
“Ik kreeg weer eens echt het besef: het leven gaat om keuzes maken. Keuzes als de volgende: ik heb niet veel te besteden, dus ik ga niet het duurste product kopen. Maar wel misschien wat varkensvlees, en groente, want dat vind ik belangrijk. Ik heb zelf gewoon groenten gegeten elke dag. Ik merkte alleen wel dat ik vaker thuisbleef. Je hebt geen geld meer voor een borrel hier en daar.”

Ruben Arnhem toont zijn levensgids De zoon van mister Chic.
Er is toch niks mis met thuiszitten?
“Nee, hoor. Thuis kun je het ook gezellig hebben. Ik vind de horecaprijzen van nu ook belachelijk. Soms spreek ik daarom thuis af. Thuis heb ik tenslotte ook gewoon gin-tonicglazen. Dan krijg je nog een goed gevuld glas ook geserveerd, bij mij. Want ik schenk wel door. Ik gebruik niet van die maatbekertjes die je in de horeca ziet.”
Is dat een advies? Mijd de horeca?
“Nou, de economie moet wel blijven draaien, maar je hoeft niet zelf altijd alles uit de kast te halen in de horeca, vind ik. Je kunt ook gewoon simpel wat eten en thuis een drankje gaan doen.”
“Wilt u nog wat drinken?” vraagt de ober dan, een jongeman voor wie dit beroep zo te merken hooguit een bijbaantje is. Jammer, vindt Arnhem, die zelf een zwak heeft voor de landen waarin ober zijn nog een echt beroep is. Spanje bijvoorbeeld. En dan nog dit: opeens aan tafel verschijnen is ook niet echt netjes. Veel mensen lijken ook zo ongelukkig met hun baan, zegt Arnhem. Het is ook niet niks, vijf dagen per week werken, in de winter, vanaf het moment dat het nog amper licht is tot het moment dat het weer donker is. Het devies van zijn levensgids? “Ga voor jezelf onderzoeken waar je blij van wordt. En ga dat vooral doen.”
Is het zo simpel?
“Ja! Wees creatief.”
Maar wat is dan jouw gevoel bij iemand die van negen tot vijf op kantoor zit?
“Ik zie mensen kansen missen. Ik ben zelf een beetje van de generatie nieuwe werkers. Ik heb het idee: je hoeft niet meer veertig uur te werken. Ik werk zelf ook gewoon vier dagen. Omdat je dan die extra vrije dag hebt, ga je toch bedenken: oké, wat ga ik nu doen? In plaats van dat je boodschappen gaat doen in het weekend, en naar het voetbal en dat soort dingen. En zo ga je jezelf beter leren kennen. Je moet jezelf uitdagen in het leven. Neem dus minimaal één vrije dag in de week. En dan zeggen mensen: ja, maar hoe kun je dan nog rondkomen? Nou, dan doe je er nog een sidejob of zo bij. Of je werkt vier dagen van negen uur. Zoiets. Want dan heb je die dag vrij wél. En dan kun je even je momentjes pakken. Zoals koffie op het terras drinken. Waardoor je geniet van het leven zonder echt rijk te zijn. En ik ben echt niet bijzonder, hoor. Ik weet alleen hoe ik dit soort uitdagingen snel opgelost heb.”
Je bent alweer met een nieuw boek bezig. Wat wordt daarin de boodschap, meneer de levensgenieter?
“Kijk, ik hou dus van etiquette. In mijn nieuwe boek komen daarom honderd etiquette-tips voor mannen te staan. Het gaat voor mij daarbij vooral over mannelijkheid. Daarom kom ik met honderd adviezen om je netjes te gedragen. Daar staan ook genoeg klassieke dingen tussen. Neem de korte broek, die wat mij betreft verboden wordt voor mannen. Geen korte broek, geen spijkerbroek en dit soort dingen! Je moet altijd de koningin tegen kunnen komen. En de koning.
Ik hoef zelf ook niet dagelijks in een pak te lopen, hoor. Als ik naar de opera ga, vind ik dat pak fijn. Maar ik zou niet in dat pak willen werken. Maar die hele trainingspakkencultuur van nu: dat vind ik dus vreselijk. Ik ben ook al jaren bezig bij ons op school om een verbod te krijgen op trainingspakken, maar het komt er maar niet doorheen. Ik vind: je framet jezelf als je daarin gaat lopen. En niet op een positieve manier. Ik werk op een businesscollege. Daar zitten allemaal mensen op die iets in de zakenwereld willen doen. Het zijn toekomstige salesmanagers, accountmanagers, ondernemers. Ik zeg het ze: doe dit niet. Ik vind: ga gewoon netjes de deur uit, het hoeft niet eens chic te zijn, maar draag gewoon een broek, een hemd, een goed shirt, klaar.”
‘DE KORTE BROEK MOET VOOR MANNEN VERBODEN WORDEN. GEEN KORTE BROEK, GEEN SPIJKERBROEK EN DIT SOORT DINGEN. JE MOET ALTIJD DE KONINGIN TEGEN KUNNEN KOMEN’
Uiterlijk vertoon is verder niet belangrijk? Je bent dan vast ook niet onder de indruk van de sportwagens die in de binnenstad van Rotterdam elke nacht voorbij komen scheuren. Dat fenomeen moet jij ook wel kennen, als Rotterdammer.
“Ik haat het. Ik háát het gewoon. Het zijn vaak geleende sportwagens, ook nog eens.”
En horloges hoeven voor jou dus ook niet drie ton te kosten?
“Nee, ik heb gewoon een horloge uit China. Kijk maar. Prima ding. Als het werkt, dan werkt het.”
Ouder worden, kan dat wel een beetje gracieus?
“Ja. Ik vind het wel een spannend idee, eigenlijk. Ik was laatst op een begrafenis van iemand die 83 is geworden. Die man had een mooi leven gehad, was altijd veel bezig met de kunsten. Hij had een mooie woning in Nederland en een in Griekenland. En daar is hij ook gestorven. In zijn woning in Griekenland. En ik denk dan: ja, als je dan toch een keer sterft, dan maar op je oude dag, op je favoriete plek, waar je zo graag komt. Dat is een voorbeeld voor mij. Van hoe het moet.”

Zover is het voor jou nog niet.
“Dat is het grappige ook: ik heb nog gewoon een kinderwens. Dus ik moet het leven nog wel even organiseren, de komende jaren. Want ik heb nu geen partner, maar wil wel heel graag een kind hebben. Ik ben toch al een beetje bezig met het organiseren van mijn troonopvolging. Daarom ben ik naar speeddate-avonden geweest.”
Ik zie het al helemaal voor me: de levensgenieter aan tafel met allerlei dames. En dan maar hoffelijk zijn.
Nog één keer neemt hij een slok wijn. “Nou... op die avonden krijg ik altijd van die dames van 40-plus voor me, die al een carrière hebben gemaakt en nu zeggen: o shit, ik ben 45 en ik wil nog een kind. En ik wil juist als man ouder zijn dan de vrouw. Dus helaas, ik blijk dus echt op zoek naar een speld in een hooiberg.” ■
