
Groene broek (Uniqlo), groene trui (Filippa K.), suède jackje (Zara), schoenen (Birkenstock).

Witte broek en witte trui (Uniqlo), groen vest en lange, zandkleurige jas (Zara), sjaal (Samsøe Samsøe), schoenen (Birkenstock).
“Anne gaat drie dagen naar de opvang, ik heb haar twee werkdagen onder mijn hoede. Blandine heeft een volledige baan, maar als ze thuis is, gaat Annes aandacht onmiddellijk naar naar haar moeder. Dat is weleens frustrerend. Ik vind het het fi jnst om met Anne alleen te zijn.”
Dan voel je die concurrentie nlet?
“En die afwijzing niet. Dan hoef ik niet te voelen dat ik tweede keus ben. Als we samen zijn doet Anne enorm haar best, reageert ze enthousiast op alles wat ik voorstel. Ze denkt vast: ik ben met die man alleen, laat ik er maar een succes van maken.”
Wat mij opvalt in je boek is dat je vanaf het eerste moment zo toegewijd kon zorgen.
“Ik kan me moeiteloos overgeven aan dat primitieve. Ik was nooit zo van schoonmaken, maar wel van opruimen. Ik heb eens een periode van kamer gewisseld met een studievriend. Ik een week op de zijne en hij op de mijne. Hij vond mijn kamer smerig, maar wel enorm opgeruimd. Tegenwoordig kan ik er goed tegen dat het steeds een troep is. Al moet ik zeggen: dat was niet meteen zo. Ik vond het frustrerend dat Anne dozen lukraak opentrok en speelgoed verwisselde zonder er ook maar iets mee te doen. Aan het einde van de dag verzamelde ik de juiste puzzelstukjes, anders is zo’n spel een volgende keer onbruikbaar. Dat vloog me soms wel aan. Net als dat op de grond gooien van eten. Ik heb moeten leren om even de andere kant op te kijken.”
Je beschrijft dat je kinderen lang hebt beschouwd als indringers. Vind je het zelf ook niet opvallend dat je je nu zo moeiteloos kunt overgeven aan dat dwingende levensritme van een klein kind?
“Dat komt omdat er niet meer zo veel is wat zij in de war kan schoppen. Als ik nog schrijver zou zijn, was het anders. Ik werkte altijd met een heilig vuur en kon enorm geïrriteerd zijn als iets daarop een inbreuk dreigde te maken. Als ik om tien uur een afspraak bij de tandarts had en om elf uur alweer thuis was, dacht ik al: op deze manier kan ik niet werken, ik ga het morgen wel weer proberen. Daarin was ik heel prikkelbaar. Niets mocht mij storen. Op dat vrije, geconcentreerde leven kijk ik zonder plezier terug. Ik ben blij met wat het heeft opgeleverd, dat wel. Maar ik was zo fanatiek, had altijd die zenuwen. Door het schrijven voelde ik bijvoorbeeld geen honger. Ook niet door het vele roken waarschijnlijk. Pas als ik rond twaalven stopte en een paar glazen wijn dronk, kon ik ontspannen. In die gekalmeerde toestand merkte ik pas dat ik niets had gegeten. Als schrijver was ik vervreemd van mijn eigen lichaam. En van mijn sociale omgeving. Door Anne ben ik een ander mens. Vroeger was ik trots als ik een fijne recensie kreeg. Of als mensen zeiden: ‘Kijk daar gaat die schrijver.’ Nu ben ik trots als ik met Anne over straat loop, zij mijn hand vasthoudt en ondertussen om zich heen kijkt. Dan denk ik: iedereen kan zien dat dit kind mij volledig vertrouwt. Dan ben ik trots op hoe normaal ik ben geworden. Gewoon, een vader die niet bang is voor verantwoordelijkheid. Ik ben net als alle andere mensen.”
Verbaast het je weleens dat het jou nog gegund is?
“Ik heb er nooit naar verlangd om vader te worden, maar nu ik het ben, ken ik intense dankbaarheid. Dat besef ‘dit is mijn dochter en wij horen bij elkaar’ is prachtig. Als ik in bed lig en moeder en dochter zo’n beetje hoor rommelen beneden, denk ik: ik hoor daarbij. Elke keer als het woord papa valt en ik dus weet dat ze het over mij hebben, voel ik me gelukkig.”
Denk je niet: achteraf had ik best eerder vader kunnen worden. Dat had mij misschien veel meer ontspanning kunnen geven?
“Hmm, ja, wat een afschuwelijk idee! Het had allemaal niet zo moeilijk gehoeven!”
Is dat nooit bij je opgekomen?
“Nee. Maar ik heb ook nooit zo’n relatie gehad waarin kinderen aan de orde waren. Maar je hebt gelijk. Ik dacht altijd: het schrijven is voor mij eigenlijk te moeilijk, dat lukt mij alleen onder ideale omstandigheden. In volledige afzondering, zonder geluiden, zonder afspraken. Ik dacht ook altijd dat ik een heel etmaal tot m’n beschikking moest hebben. Nu kon ik in het weekend, als Blandine altijd een uur of drie met Anne is, toch aan dit boek schrijven. Vroeger vond ik drie uur werken iets voor amateurs. Een echte schrijver heeft de hele dag of doet het niet. Nu zie ik dat het ook op een gemakkelijke, ontspannen manier had gekund.”
‘Ik had heel graag tegen mijn ouders willen zeggen dat ik alsnog waardeer wat ze voor me hebben gedaan’


Je schrijft over een vriendengroep waarin je je buitenstaander voelde. Nu je vader bent besef je dat dat kwam omdat jij de enige zonder gezin was.
“Ik dacht altijd dat het was omdat zij hetzelfde vak deelden; ze werkten in de theaterwereld. Nu zie ik dat het kwam omdat ik de enige zonder kind was. Ze zagen me waarschijnlijk als iemand met principes, vaste denkbeelden. Iemand die nooit hoeft te schipperen of water bij de wijn hoeft te doen, die denkt als een puber.”
‘Vroeger vond ik drie uur werken iets voor amateurs. Een echte schrijver heeft de hele dag of doet het niet’
Egocentrisch?
“Ik denk dat ze dat vonden. Ik deed heus mijn best, stelde vragen over de voorstellingen die ze maakten, maar het echte contact kwam nooit helemaal van de grond. Ik werd gesterkt in dat idee dat er een glazen wand is tussen kinderlozen en mensen met gezinnen toen ik op een verjaardag was van een kindje van de opvang. We kennen die ouders nog maar kort, maar delen het ouderschap. Ze hadden stellen met kinderen uitgenodigd, maar er waren ook vriendinnen van de moeder die duidelijk geen gezin hadden. Die waren met elkaar aan het praten, wijn aan het drinken. Het vreemde was: de moeder van het jarige meisje sprak meer met mij dan met haar goeie vriendinnen. Niet omdat ze mij goed kent, maar omdat ze met mij iets groots deelt als het ouderschap. Met die vriendinnen ontstond vervreemding, afstand. Ik zag dat gebeuren omdat ik het zelf ook vaak zo heb gevoeld. Als ik ergens kwam waar kinderen de overhand hadden, bleef ik uit beleefdheid. Ik merkte dan ook dat mensen nauwelijks aandacht aan mij besteedden. Ze dachten misschien: hij amuseert zich nu dan wel niet, maar vanavond zit-ie toch weer met z’n vrienden in het café.”
Denk je zelf ook terug aan dat leven als egocentrisch?
“Jawel. Tegelijk had ik ook sterke behoefte aan vriendschap, aan een vriendin. Ik voelde me geregeld zó eenzaam, dat het me gek maakte. Soms nam ik de hoorn op om te checken of de lijn niet dood was. Dan was de telefoon al zó lang niet overgegaan. Helaas deed hij het dan nog. Er was gewoon niemand die mij opbelde of zin had om iets af te spreken. Van nature ben ik helemaal niet zo’n intellectueel. Ik lees geen moeilijke boeken uit mezelf, dat deed ik alleen ter voorbereiding op mijn werk. Theoretische discussies, daar hou ik ook niet van. Ik ben niet met intellectuele mensen bevriend. Ik hou van voetbal kijken, van de natuur en de slappe lach. Eigenlijk ben ik een sociaal mens.”
Er had ook iets anders uit je kunnen rollen dan die excentrieke schrijver?
“Ik ben een individualist geworden door omstandigheden. Na mijn studie Nederlands kon ik geen werk krijgen. Wel geprobeerd, hoor. Ik vond, en vind, dat je je eigen geld moet verdienen als je gezond bent. Al dacht in de jaren tachtig lang niet iedereen zo. Ik had mijn onderwijsbevoegdheid gehaald om docent te kunnen worden, maar er was een enorme werkloosheid. Dankzij een uitkering kon ik me wijden aan mijn tweede roman. Maar zonder studiegenoten of collega’s kwam ik niemand meer tegen. Ik zag maar eens in de twee, drie dagen een vriend. Na verloop van tijd was ik het ontwend om lang onder de mensen te zijn. Maar het voelt nu alsof dit leven veel beter bij me past.”

Wat mooi dat je dit dan is overkomen. Zie je dat als een geluk?
“Nu je het zegt. Je hebt mensen die in een verkeerd lichaam zitten. Maar eigenlijk zat ik in het verkeerde leven, het verkeerde beroep.”
Je schrijft: ‘Ik hoor bij al die mensen die rond hun veertigste beginnen te geloven dat hun vader nooit echt van hun gehouden heeft, maar tegenwoordig geloof ik dat ik zelf tekortgeschoten ben.’ Ben je liefde tekortgekomen?
“Mijn vader was hard, had driftbuien, deelde tikken uit of kleineerde me. Zo’n flinke tik, daar keek ik destijds niet van op, mijn vriendjes overkwam dat ook. Maar achteraf ging me het toch storen.”
Heb je hem dat ooit kunnen zeggen?
“Daarvoor was er te weinig verbinding. We waren nooit intiem en vanaf mijn puberteit heb ik mijn ouders bewust op afstand gehouden. Het late vaderschap heeft iets onnatuurlijks. De natuur zit zo mooi in elkaar qua timing. Als je graag zon in je huis wil zijn de bomen kaal. Als het heet is zit ik aan het raam lekker achter die bladeren. Zo is het met ouders en kinderen ook. Als puber bekijk je je vader negatief, betrek je hem niet meer bij je leven. Tot je zelf kinderen krijgt, dan ontstaat er weer contact en verbetert die relatie. Dat heb ik bij mijn zussen gezien. Die bezochten met hun kinderen weer mijn ouders en mijn ouders gingen oppassen. Ze waren ineens weer samen. Nu ik zelf vader ben, had ik dat ook graag gehad. Nu ik dit zeg schiet ik vol. Ik had toch heel graag tegen mijn ouders willen zeggen dat ik alsnog waardeer wat ze voor me hebben gedaan. Daar ben ik te laat mee, omdat ze natuurlijk al geruime tijd overleden zijn. Dat bedoel ik met dat zinnetje dat ik misschien zelf wel tekort ben geschoten in het uiten van waardering of liefde.”
Is er iets waar je je op verheugt in het vaderschap?
“Nou nee. Ik heb wel dingen waar ik tegen opzie. Dat Anne zich voor me begint te schamen bijvoorbeeld. Nou schamen alle kinderen zich op een gegeven moment voor hun vader, maar ik vrees dat ze zich zal schamen voor mijn leeftijd. Als ik het kinderdagverblijf binnenloop, noemen andere kinderen me soms opa. Nog niet eerder in het bijzijn van Anne, maar die dag zal komen. Dat lijkt me heel naar. Ze heeft onlangs blijkbaar een gesprek gehad over kleine en grote vaders. Ik ben niet zo groot van gestalte, daar zit ik zelf niet mee. Maar Anne zei ineens: ‘Ik wil een andere papa, ik wil een grote papa.’ Ze schuift me ook weleens haar groenten toe, omdat ik altijd zeg dat ze die moet eten omdat ze ervan gaat groeien.”
Ben je bezig met je sterfelijkheid?
“Ik hoop dat ik leef tot Anne een jaar of achttien is. Daarna breekt toch de tijd aan dat kinderen zich losmaken van hun ouders. Tot dat moment heb ik haar hopelijk genoeg aandacht gegeven om sterke herinneringen aan me te hebben. Zelf ben ik nooit zo bezig met bewust opvoeden, maar Blandine wel, die leest er ook graag over. Van haar leerde ik dat de eerste duizend dagen heel belangrijk zijn voor de ontwikkeling van een kind. Die hebben we er nu net op zitten en het idee dat ik die goed heb gevuld maakt me gelukkig. En ook best heel trots.”

THOMAS in het kort
Thomas Rosenboom debuteerde in 1982 met de novelle Bedenkingen. Zijn doorbraak bij het grote publiek volgde met de romans Gewassen vlees (1994) en Publieke werken (1999) die beide werden bekroond met de Libris Literatuur Prijs. Publieke werken werd ook succesvol verfilmd. Over zijn vaderschap schreef hij het boek Late Vader. Thomas woont samen met Blandine en hun dochter Anne in Amsterdam.
styling: esther loonstijn. visagie: nicolette brøndsted. voor verkoopinformatie zie inhoud. ■
