
De onlangs verschenen Power To The People-boxset legt die kant van Lennon bloot: de Beatle als agitator, activist, stem van de straat. Elk nummer klinkt als een snapshot van de protestjaren van Lennon en Ono, samen vormen ze een caleidoscoop van woede, hoop en satire. Om dat tijdsbeeld scherp te krijgen, vallen de songs (veelal afkomstig van het album Some Time In New York City uit 1972 en gespeeld tijdens de One To Oneconcerten in datzelfde jaar) uiteen in vier overkoepelende thema’s – politiek en repressie, de Vietnamoorlog, racisme en ongelijkheid, en de conflicten in Noord-Ierland – die samen een levendig portret schetsen van Lennons meest strijdbare periode.
1. Politiek en repressie
Toen Lennon en Ono naar New York verhuisden, deden ze dat niet om rustig anoniem op te gaan in de stad die nooit slaapt. Ze wilden middenin de actie zitten en Lennon voelde dat zijn stem méér kon zijn dan een echo uit de Beatlemania. President Richard Nixon zag dat ook en voelde de onweersbui al hangen. De FBI begon een dossier over Lennon aan te leggen dat dikker werd dan een encyclopedie, bang dat hij zijn miljoenen fans zou oproepen om tegen de gevestigde orde te stemmen.
Eigenlijk was dat politieke instinct er al eerder. Come Together (1969, Abbey Road), oorspronkelijk geschreven voor Timothy Leary’s campagne tegen Ronald Reagan in de strijd om het gouverneurschap van Californië, begon als een regelrechte protestsong. Toen Lennon niets meer hoorde van Leary herschreef hij de tekst tot een cryptisch, bijna nonsensicaal raadsel. Toch bleef er iets hangen van dat politieke DNA: Lennon had de smaak van protest al te pakken, alleen was het nog verstopt in mystiek en woordspelingen. Een voorbode van wat komen ging.
Een van zijn meest directe reacties op het politieke klimaat was Power To The People (1971). Lennon schreef het na een gesprek met de journalisten Tariq Ali en Robin Blackburn van de Marxistische krant Red Mole, die hem confronteerden met de vrijblijvendheid van zijn acties. Lennon stapte vol goede moed uit het gesprek en schreef een refrein verpakt als een protestbord: ‘Power to the people, power to the people, right on!’ Geen metaforen, geen vernis: een ondubbelzinnige call to action.
Diezelfde urgentie hoor je in Attica State, geschreven na de beruchte gevangenisopstand van 1971 waarbij 43 gevangenen en bewakers om het leven kwamen. Terwijl de autoriteiten de gevangenen wegzetten als criminelen, draaide Lennon het perspectief radicaal om: ‘Free the prisoners, jail the judges’. Het refrein ‘Attica State, Attica State, we’re all mates with Attica State’ en het couplet ‘Come together, join the movement/Take a stand for human rights/Fear and hatred clouds our judgement/ Free us all from endless night’ klinken als een vuist in de lucht. Geen pleidooi, eerder een bevel.
Wie daarna het nummer New York City opzet, hoort Lennon in de rol van een roddeljournalist die schrijft over zijn eigen leven. Hij spuugt namen van mensen en plekken uit – Jerry Rubin, David Peel, Fillmore, Apollo – en klinkt enthousiast over zijn nieuwe thuis, terwijl de overheid hem voortdurend probeerde te deporteren: ‘If the man wants to shove us out/We gonna jump and shout/The Statue of Liberty said “come!”’. Het dagboek van een popster die welkom was in elke club, behalve die van het Witte Huis.
In de boxset is ook een fragment te horen genaamd Law And Order, waarin Ono zich direct richtte op de favoriete verkiezingsslogan van de president. Sinds 1968 had Nixon de woorden ‘law and order’ gebruikt om zich te profileren als de man die orde bracht na jaren van protest en onrust. ‘I want to read you a statement by a well-known politician that you know of’, begint Ono, om vervolgens de (overigens nooit officieel bevestigde) toespraak van Adolf Hitler uit 1932 op te lezen en parallellen te trekken met de toenmalige politieke situatie in de VS. ‘We need law and order. Without law and order our nation can’t survive’. De woorden, ooit door Nixon bedoeld als geruststelling, werden in Ono en Lennons handen een dreigement. Satire in refrein-vorm.
En dan John Sinclair: de blues die een activist bevrijdde uit de gevangenis. ‘They gave him ten for two, what else can the bastards do?’ Lennon rekent de absurditeit van het vonnis in één regel uit. Twee joints, tien jaar cel. Klinkt als het begin van een slechte grap. Hij speelde het in 1971 tijdens de John Sinclair Freedom Rally in Ann Arbor, Michigan en twee dagen later liep Sinclair vrij de gevangenis uit. Probeer dat tegenwoordig maar eens met een TikTok-dansje. Het gaf Lennon, Ono, Jerry Rubin en alle betrokken activisten een bemoedigende superkracht om te blijven vechten voor onrecht.
Samen laten deze nummers Lennon horen als politieke volksleider. Niet de utopische dromer van Imagine, maar de man die leuzen stal van de straat en ze teruggooide via zijn speakers. Voor Nixon was hij een gevaar, maar voor zijn fans en volgers een stem.

John Lennon thuis in Tittenhurst Park
(© Peter Fordham - Yoko Ono)
John en Yoko promoten Plastic Ono Band en Wedding Album
(© Yoko Ono)2. Vietnamoorlog
Geen enkel thema kleefde zo hardnekkig aan de jaren zestig en zeventig als de Vietnamoorlog. Voor John Lennon, die net zijn Beatles-pak in de kast had gehangen en zich ontpopte tot fulltime activist, werd het de ultieme katalysator. Hij zag hoe duizenden jonge Amerikanen naar de andere kant van de wereld werden gestuurd om te sterven voor een oorlog die steeds minder mensen begrepen of wilden steunen.
Daar paste I Ain’t Marching Anymore naadloos in. Het was in 1965 geschreven door folkicoon Phil Ochs en werd jaren later een adoptie-anthem met Lennon (een opname van het duo uit 1971 is onderdeel van de nieuwe boxset). ‘It’s always the old to lead us to the war, it’s always the young to fall/Now look at all we’ve won with a saber and a gun/Tell me, is it worth it all?’, zingt Ochs – een sneer die de absurde generatiedynamiek van oorlog genadeloos blootlegt.
Joe Hill verbond de Vietnamprotesten met een bredere strijd: die van de arbeiders en vakbonden. Joe Hill, de vakbondsleider die in 1915 werd geëxecuteerd, werd in de jaren zestig en zeventig opnieuw een symbool voor verzet. Ochs schreef het nummer op de melodie van het traditionele nummer John Hardy. ‘Strange are the ways of the western law/Strange are the ways of fate/For the government crawled to the mine owner’s call/And the judge was appointed by the state’, Ochs zong het gepassioneerd namens Hill. Daarmee trok hij een rechte lijn van arbeidersstrijd naar anti-oorlogsactivisme: dezelfde vijand, een andere tijd. Nog scherper klinkt Ringing Of Revolution: eveneens geschreven door Ochs. Lennon zette er zijn stempel op en samen brachten ze het met vuur. De klokken die Ochs ooit beschreef, worden hier geluid als alarmbellen: een waarschuwing dat de oorlog niet alleen in Vietnam woedde, maar ook in de straten van Amerika zelf, waar jongeren, studenten en artiesten opstonden tegen de gevestigde macht.
En dan natuurlijk Give Peace A Chance. Ooit ontstaan tijdens de tweede beroemde bed-in in Montreal in 1969 (de eerste was in Amsterdam) – John en Yoko in pyjama, een hotelkamer vol journalisten, en een simpele leus: ‘All we are saying is give peace a chance’. Wat begon als een ludieke actie groeide uit tot hét strijdlied van de anti-Vietnamoorlogbeweging. Tijdens massaprotesten in Washington scandeerden tienduizenden demonstranten de woorden, zoals op Vietnam Moratorium Day op 15 november 1969 – geleid door singer-songwriter en activist Pete Seeger, die tussendoor dingen riep als ‘Are you listening, Nixon?’. Spoiler: Nixon luisterde niet. Maar de rest van het land wel; Lennon had de soundtrack van de vredesbeweging geleverd.
De Vietnam-nummers laten horen hoe Lennon zich positioneerde: niet als neutrale artiest – nee, als iemand die de geschiedenis wilde beïnvloeden met muziek. Zijn songs waren praktische slogans zoals Give Peace A Chance, klaar om door een menigte te worden overgenomen. Hij gaf woorden aan een generatie die geen zin meer had om blind te marcheren.
3. Racisme en ongelijkheid
In de straten van Harlem en de Lower East Side zag Lennon van dichtbij de ongelijkheid die voor zwarte Amerikanen dagelijkse kost was. Samen met Ono besloot hij hun strijd niet alleen te observeren, maar er ook actief onderdeel van te worden. Waar hij vroeger toch vooral over liefde schreef, ging het nu over gevangenisstraffen, ongelijkheid en feminisme. Lennon had door dat je als beroemdheid één luxe bezit: een stem die luider klinkt dan de rest.
Neem het nummer Angela. Lennon zette Angela Davis hier neer als icoon en niet als slachtoffer. De filosofe en Black Pantheractiviste werd begin jaren zeventig aangeklaagd voor de ontvoering van en moord op rechter Harold Haley. Davis werd een internationaal symbool voor verzet tegen racisme en repressie en Lennon zag het als zijn taak om haar stem te versterken. ‘Angela, they put you in prison/Angela, they shot down your man/Angela, you’re one of the millions/Of political prisoners in the world’. Mick Jagger schreef overigens ook een nummer over diezelfde Davis: Sweet Black Angel (Exile On Main St., 1972).
Yoko ging nog een stap verder in Born In A Prison. Met haar mantra ‘Born in a prison, raised in a prison, sent to a prison called school’ zette ze niet één persoon, maar de hele samenleving neer als gevangen in een kooi. Het is geen vrolijk nummer; het schuurt, herhaalt en wurmt zich in je hoofd. Precies dat was de bedoeling: Ono wilde dat je de ketenen voelde die ongelijkheid in stand hielden. Lennon zette het op plaat omdat hij wist dat die radicale boodschap anders nooit zo ver zou reiken.



John en Sean aan het frisbeeën in Japan
(© Nishi Saimaru - Yoko Ono)Daar tegenover klinkt Sisters, O Sisters, een lichtvoetige reggaetrack, bijna vrolijk. Maar luister beter: ‘Oh sisters, oh sisters, let’s give up no more/It’s never too late to build a new world’. Hiermee kreeg de feministische strijd een plek in hun repertoire. Ono plaatste de vrouwen die onzichtbaar de maatschappij draaiende houden in het midden van het verhaal. Ze had de vrouwenhaat van dichtbij meegemaakt als Engelands publieke vijand nummer één en wierp zich op als bondgenoot van de onzichtbaren en structureel genegeerden.
Het meest speels klinkt We’re All Water, een nummer waarin Lennon en Ono de absurditeit van hiërarchieën fileerden. ‘There may be not much difference between Chairman Mao and Richard Nixon/We strip them naked’. Uiteindelijk, zo zingt Ono, ‘we’re all water from different rivers’. Tijdens de One To One-concerten verving ze Mao trouwens net zo lief voor Hitler. De kern van het nummer is dat, hoe groot de verschillen in rijkdom, status, uiterlijk, daden of overtuigingen ook lijken, er altijd een gedeelde geest is die de mensheid kan verbinden. Maar de dood is uiteindelijk de grote gelijkmaker, zo sluit Ono het lied af met de wrang-poëtische regel: ‘Someday we’ll evaporate together’. Een wat macabere troost, maar hé: het is niet gelogen.
4. Noord-Ierland
Hoewel John Lennon in Engeland was opgegroeid, voelde hij zijn Ierse wortels altijd knagen. Zijn familiegeschiedenis liep via Omagh en County Down en het etnisch-nationalistische conflict in Noord-Ierland – The Troubles – was voor hem dus geen abstract politiek vraagstuk, maar iets wat hij in zijn bloed meedroeg. Begin jaren zeventig escaleerde het conflict, en op 30 januari 1972 kwam de grootste schok: Bloody Sunday. Britse troepen openden het vuur op ongewapende demonstranten in Derry; veertien mensen keerden niet meer naar huis. Voor Lennon was dit geen ver-van-mijn-bed-oorlog, maar een wond die openging in zijn eigen afkomst.
Die woede goot hij direct in Sunday Bloody Sunday. ‘You Anglo pigs and Scotties, sent to colonise the North/You wave your bloody Union Jacks/And you know what it’s worth’, zong hij – woorden die zo fel en beledigend waren dat zelfs trouwe fans twijfelden of ze het wel mee mochten zingen. Dit was een directe aanklacht. Lennon gooide de rauwe woede van een volk op plaat en wie luisterde, kreeg de kogels haast mee in de oren. Subtiel was het allemaal niet, maar subtiliteit heeft ook nog nooit een regering aan het wankelen gebracht.
Waar Sunday Bloody Sunday het conflict frontaal in de maag stompte, koos Lennon voor The Luck Of The Irish voor een ander wapen: satire. Op een bedrieglijk vrolijk folkdeuntje zingen Lennon en Ono: ‘If you had the luck of the Irish, you’d be sorry and wish you were dead’ en ‘A land full of beauty and wonder/Was raped by the British brigands’. Het klinkt bijna alsof het gezellig in de pub geschreven is, maar de tekst is een mes in een fluwelen handschoen. Lennon fileert hier de eeuwenlange onderdrukking en spot tegelijk met het clichébeeld van de vrolijke, drinkende Ier.
Dat Lennon zich met Noord-Ierland bemoeide, was niet alleen emotie, maar ook strategie: hij had door dat zijn stem als wereldster de Britse regering in verlegenheid kon brengen. Hij wilde zijn megafoon gebruiken voor een conflict dat in Londen liever onder het tapijt werd geschoven. De nummers vormen samen een tweeluik: de furieuze aanklacht van Sunday Bloody Sunday en de bittere ironie van The Luck Of The Irish. Lennon koos partij, hard en publiekelijk. Dat maakte hem controversieel, maar ook eerlijk.
Erfenis
Toch wringt het. Hoe luid Lennon ook schreeuwde, hoe fel hij ook ageerde tegen oorlog en onderdrukking, het veranderde de wereld niet fundamenteel (al denkt John Sinclair daar mogelijk anders over). 45 jaar na zijn dood worden we nog steeds, of alweer, gegijzeld door dezelfde tegenstellingen: oorlogen die steden in puin leggen, wereldleiders die zich te buiten gaan aan crimineel gedrag, een samenleving die verder polariseert. Wranger nog: Lennon, de man die vrede bezong, werd zelf het zwijgen opgelegd door wapengeweld. Misschien is dát de hardste les uit zijn activistische erfenis: dat protestliedjes wel kunnen troosten en (soms) verenigen, maar de kogels niet kunnen tegenhouden. ■
