
In een interview met een dierenarts stuitte ik ooit op de uitspraak: ‘Voor een paard is de hele wereld een salade.’ Die kwam aan. Ik leefde op dezelfde planeet als paarden en had ook ruwweg hetzelfde voor ogen: een enigszins aangenaam bestaan. Waarom voelde mijn mensenleven dan zo oneindig veel ingewikkelder en frustrerender?
Na jaren studeren, was ik in een vijfdaagse kantoorweek beland. Achter een computer werkte ik tegen een kunstmatig laag gehouden salaris aan een proefschrift. Pas na afronding daarvan zou mijn leven als wetenschapper eindelijk kunnen beginnen. In het weekend zag ik vooral op tegen maandagmorgen, dus eigenlijk dacht ik altíjd aan werk. Terwijl mijn veronderstelde goede leven nog ergens ver weg aan de horizon gloorde, was ik al bijna dertig. En ondertussen dacht ik iedere kampeervakantie: ‘Dit is het échte leven!’ En: ‘Wat een rare uitvinding eigenlijk: een baan.’
Noodzakelijk kwaad
In het boek The dawn of everything vertellen antropologen David Graeber en David Wengrow dat prehistorische jager/verzamelaars zo’n twee tot vier uur per dag werkten om hun maaltijd te verzamelen. Als antwoord op de vraag waarom hij nooit op landbouw overstapte, citeren zij een moderne jager-verzamelaar: ‘Waarom? Dat is veel méér werk. Zoals ik nu leef, kan het toch ook?’
In latere perioden van de geschiedenis wérd het voor veel mensen ook flink meer zwoegen om een slechts karig bestaan te kunnen leiden. In de landbouw, handel, ambachten, industrie en, veel later: de kantoorbaan.
Werken heeft altijd meerdere kanten gehad. Het is nodig voor je levensonderhoud, soms inhoudelijk plezierig, iets om trots op te zijn. Maar soms ook ronduit uitputtend of gevaarlijk, en zeker geen doel op zich. Meer een noodzakelijk kwaad.
Tot aan de industriële revolutie werd dagelijks dan ook meestal minder gewerkt dan de acht uur die wij nu normaal vinden. Een kalenderjaar kende bovendien meer feestdagen. En de eerste fabrieksdirecteuren kampten met het probleem dat de arbeiders soms niet kwamen; ze hadden dan voorlopig wel weer even genoeg geld, vonden ze.
Ploeterend probeerde ik me met mijn lot te verzoenen
Voltijds werken – volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek meer dan 35 uur per week – werd in de negentiende en twintigste eeuw (vooral voor mannen) normaal. Het lijkt daardoor allerlei voordelen te hebben. Je maakt veel uren binnen dezelfde context, waardoor je meer gelegenheid hebt goed in je taken te worden – en met een tweedaags weekend onthoud je makkelijker waar je gebleven was. Je kunt je sneller onderdeel voelen van een gemeenschap. En heb je een vak met promotiemogelijkheden, dan ben je zichtbaarder en kun je daar meer kans op maken: je biedt je werkgever veel continuïteit.
Als twintiger leek negen-tot-vijf tot mijn pensioen in steen gebeiteld. Misschien rekte ik ook daarom mijn studententijd zo lang mogelijk op. Ploeterend probeerde ik me met mijn lot te verzoenen. Tot een in overheidsdienst werkende vriend aankondigde een dag minder te gaan werken. ‘Ik heb liever wat meer tijd voor mijn dochters, in plaats van geld’, was zijn afweging. Huh? Mocht dat zomaar? Ik aarzelde, want kantoormannen die niet fulltime werkten, werden destijds, zo’n 25 jaar geleden, niet serieus genomen. Zeker niet in de wetenschap. Toch regelde ik uiteindelijk ook zo’n dag – hoewel ik vermoedde daarmee het signaal af te geven niet ‘ambitieus’ genoeg te zijn.
Waren we voorlopers? Het aandeel fulltimers van de voltallige Nederlandse beroepsbevolking daalt volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) al jaren, en de verwachting is dat die trend de komende jaren verder doorzet. In 2022 werkte in Nederland nog maar de helft van de werknemers voltijds, vooral in de IT, technische sectoren en managementposities, beroepen waarin het aandeel mannen nog steeds erg hoog is.
Deeltijd
Waarom willen mensen zoal in deeltijd werken? CBS-cijfers uit 2024 laten zien dat zowel mannen als vrouwen ‘tijd voor mezelf ’ en ‘meer tijd voor huishouden en boodschappen’ als belangrijkste redenen aangeven (meer dan 60 procent). Voor jezelf de regie nemen over je werkweeklengte lijkt dus heel normaal geworden, evenals tijd nemen voor (klein-) kinderen of mantelzorg. Dat 15 procent van de ondervraagde mannen en 26 procent van de ondervraagde vrouwen de eigen gezondheid als reden noemt, laat iets zien wat je minder vaak hoort: het is gewoon niet iedereen gegeven volle werkweken te maken.
Het is niet iedereen gegeven volle werkweken te maken
Fuik
‘Meer tijd voor mezelf’ was aanvankelijk ook mijn deeltijdmotivatie. Maar die veranderde in de loop der jaren, door het groeiende besef een fuik te zijn ingelopen. Na zeven jaar doorzetten promoveerde ik. Maar ik wist toen eigenlijk al dat ik niet de drive en het geduld had voor een verdere carrière in de wetenschap, waar de werkdruk hoog is, de werkgelegenheid schaars, je je flink op de borst moet kloppen, en waar datgene waar ik ooit voor warmliep (onderzoek) op zondagmiddag moet gebeuren. Een ander vak beheerste ik niet. En dus werkte ik jarenlang in kleine contracten (16-24 uur) als universitair en hogeschooldocent om er vooral zo min mogelijk gedeprimeerd van te raken.
Financieel was het goed te doen. In mijn vijftien jaar als student, vervangend dienstplichtige en promovendus was ik gewend weinig geld te hebben, en mijn vrouw en ik hielden grotendeels dezelfde levensstijl als in onze studentenjaren. Kinderen kwamen er niet, en aan auto’s en vliegvakanties deden we niet.
Vrijheid
Onderzoeksbureau Effectory beweert op hun website dat parttimers gemotiveerder en meer tevreden zijn dan fulltimers. ‘Parttimers oordelen positiever over hun functie, arbeidsomstandigheden, collega’s, leidinggevende, organisatie en beloning. (…) Ze melden zich minder vaak ziek, zijn productiever en stralen hun geluk uit naar klanten.’ Daar herkende ik van alles in, maar ik kon me vooral in de vrijheid vinden: vroeg opstaan (o gruwel) hoefde ik zelden, en hoe lang ik thuis over mijn correctiewerk deed, kon ik zelf bepalen. Soms werd de kwaliteit daarvan bovendien beter.

Weinig werken had nog veel meer voordelen. Mijn neiging nieuwe cd’s, boeken of junkfood te kopen als frustratieverdoving verdwenen. Er was alle tijd voor onverwachte gebeurtenissen, om goedkoop en gezond lopend boodschappen te doen of kringloopwinkels door te ploegen – en voor de mantelzorg voor onze ouders. En in de overblijvende tijd las, bekeek en beluisterde ik alles wat me voor een volwassen leven van belang leek, maar als promovendus volledig langs me heen was gegaan. Ik verdiepte me in repareren, financiën, opruimen, reizen, geld besparen, microbiologie, gezonde voeding en nog veel meer. Allemaal zaken waar ik niets van meekreeg op kantoor of in het nieuws. Zalig! Of toch niet?
Knikkerputje
Iedereen die ooit onvrijwillig werkloos was, weet: een lage urgentie van alles vertraagt je levenstempo enorm, waardoor in actie komen héél veel moeite kost en een brief moeten posten een hele dag kan gaan vullen. ‘Het knikkerputje’, noemen een vriend en ik die situatie: je rolt er ongemerkt in, maar nooit vanzelf weer uit. En in dat knikkerputje vult je hoofd zich met vrijblijvend gepieker. ‘Vroeg of laat belanden vrijbuiters bij de psychiater’, concludeert psychiater Jeffrey Wijnberg dan ook in zijn geestige boek De zin van onzin (over provocatief coachen).
Nou, dat wilde ik graag voorkomen. Dus besloot ik mezelf te trainen om beter te worden in nietsdoen. Dat komt voor een belangrijk deel neer op: toelaten wat je voelt (een innerlijke behoefte aan inactiviteit, verzet tegen verplichtingen), schuldgevoel van je leren afzetten (fuck it zeggen tegen het taboe dat nietsdoen niet mag) en oefenen in het ‘uitzetten’ van je gedachten. Dat laatste leerde ik van een psycholoog: concentreer je op wat je huid voelt en laat dat alle andere gedachten verdrijven.
Stiekem was ik ook trots. Was weinig hoeven werken van oudsher geen statussymbool? Dat druk-druk-druk wat je overal hoorde, ha! Daar had ik geen last van. Vakanties? Ik had er weinig behoefte aan, want ik zou elke week een paar dagen kunnen reizen. Maar ken je die mop van die jongens die naar Parijs gingen? Nou, die gingen dus niet. Al die leuke dingen die ik kon gaan doen, schoten me niet eens te binnen. Opzien tegen dat weinige werk besloeg een groot deel van mijn tijd. Jazeker, een luxeprobleem. Maar desalniettemin: een probleem.

Experimenteren
Tijdens zijn boekpresentatie van Stop de Amerikanen! tekende ik van mede-auteur Hans Versnel een prachtige uitspraak op: ‘Als je eenmaal taken vindt die bij je passen, ga je werken!’ Ik kon inmiddels wel wat werklust gebruiken, want gebruikelijke routes als omscholingsideeën, werkcoaches of nieuwe hoeveelheden deprimerend hoogdravende onderzoeksvacatures doorploegen, leverden dat allemaal niet op. Hé, dacht ik na die presentatie, ik moet dus gewoon met ander werk gaan experimenteren, náást mijn baan. Het ging niet om meer of minder werk, maar om het juiste werk.
Ik stuurde een eerste recensie in voor het blad dat je nu leest, wat ertoe leidde dat ik leerde schrijven voor een tijdschrift, en later zelfs een boek schreef (De luxe van Genoeg). Na het zien van een raamadvertentie, bood ik me aan als kassavrijwilliger van een museum. Wat een eyeopener: mensen direct helpen en het daarmee hectisch druk hebben, blijkt leuk te zijn! En sinds iemand me uitdaagde een presentatie te geven over houdbaarheid en bederf van levensmiddelen, ben ik regelmatig op pad als spreker. Daarbij ontdekte ik: op een podium een verhaal vertellen, of mensen interviewen – dat voelt voor mij pas aan als ‘het goede leven’.
Inmiddels heb ik mijn werk in het hoger onderwijs ingeruild voor een betaalde parttime baan in het museum. Met deze basisbaan in loondienst, een dag vrijwilligerswerk en opdrachten als freelancer voelt vier dagen werk per week soms chaotisch, maar ook als ‘genoeg werk’. Het drukkende gevoel dat ik kreeg van de wekelijkse vijfdaagse inhechtenisneming op kantoor is nu vervangen door een gevoel van regie. Mijn werk is leerzaam, afwisselend, en bijna iedere dag toont daardoor een stukje van het goede leven.
Tijd is misschien wel het kostbaarste dat we hebben
Scharrelleven
Als jongere kreeg ik ingepeperd dat werk draaide om applaus genererende resultaten, een ‘competitief’ salaris, zo hoog mogelijk eindigen en dus er keihard tegenaan gaan! Tsjakkaa! In de dertig jaar erna ervoer ik iets anders. Genoeg geld en niet zo veel mogelijk, is belangrijk. Plezier hebben in mijn werk ook. En vooral: samen met een klein groepje mensen werken aan iets dat de moeite waard is, en waar anderen iets aan hebben. In die context voelt veel of weinig werken ook minder relevant.
Hoe belangrijk werk voor je is, blijft altijd een voortschrijdend inzicht. Maar veel filosofen zijn het er over eens: tijd is misschien wel het kostbaarste wat we hebben. Dus als het enigszins mogelijk is die tijd niet te laten verpesten door slecht passend werk, raad ik je aan dat vooral te proberen. Ik ervaar de wereld nog steeds niet als salade – eten uit de natuur moet ik nog grotendeels leren. Maar tot die tijd behelp ik me met een plezierig scharrelleven, in plaats van een prestigieuze carrière in de intensieve menshouderij.*
*Jaap Peters en Judith Pouw – Intensieve menshouderij. Scriptum, 2004

Plezier in mijn werk hebben is belangrijker dan veel geld
Financiële consequenties
Door meer of minder uren te werken, wijzigt je bruto salaris natuurlijk. Maar de hoogte daarvan heeft ook gevolgen voor bijvoorbeeld je pensioenopbouw en de hoogte van je uitkering als je werkloos of arbeidsongeschikt raakt. En ook voor toeslagen (tinyurl.com/toeslaginkomen) en mogelijk gemeentelijke regelingen (tinyurl.com/gemeentetoeslag). Ga dus vooral op onderzoek uit.
Meer of minder werken
In loondienst mag je volgens de Wet Flexibel Werken je werkgever jaarlijks voorstellen meer of minder te gaan werken, mits je minimaal een half jaar in dienst bent en je organisatie minimaal tien werknemers heeft. Die laatste voorwaarde vervalt als je voor kinderen onder de acht wilt zorgen of wilt mantelzorgen. Vakbond CNV biedt een voorbeeld-aanvraagformulier. Houd rekening met een reactietermijn voor je werkgever. Tinyurl.com/minderwerken
Minder werken? Ook dit zijn opties:
• Binnen je huidige contract kun je soms taken afstoten, ruilen of je werk plezieriger maken. Door een iets ander rooster en meer of minder thuiswerkuren kun je soms overwerk voorkomen. Assertieve stiptheid (quiet quitting) kan ook, maar vergt veel tact en sociale vaardigheden. Maakjouwimpact.nl/quiet-quitting/
• Neem je vakantiedagen niet aaneengesloten op, maar verspreid ze eens over reguliere werkweken. Zo ontdek je hoe kortere werkweken bevallen.
• Misschien past een flexwerkvorm meer bij je dan een loondienstcontract. Bijvoorbeeld als uitzendkracht of zzp’er. Let op: dat heeft wel consequenties voor de inkomstenbelasting, en de overheid controleert sinds dit jaar strenger op schijnzelfstandigheid. Tinyurl.com/flexwerkvormen
• Ben je boven de 50, dan bieden sommige cao’s werknemersregelingen om het kalmer aan te doen. Tinyurl.com/ouwelullendagen
Meer werken?
Let op: er bestaan ook bovengrenzen aan hoeveel je mág werken in loondienst. Tinyurl.com/werkbovengrens
Het kan jaren duren tot je de juiste balans hebt gevonden. Maar leren (be)sparen is natuurlijk altijd een goed begin. Laat je niet leiden door anderen of ‘de maatschappelijke norm’, maar door: wat is voor míj genoeg? ■
