“Zeven jaar geleden leerde ik Mark kennen via een Facebookgroep voor plussize vrouwen. Ik was op zoek naar kledingtips voor volle vrouwen. Wat Mark in die groep deed, weet ik eigenlijk niet, maar al snel raakten we aan de praat. Hij viel me meteen op: donker, goedverzorgd en charmant. Er zat iets stoers én zachts in hem. Binnen een dag overspoelde hij me met hartjes, berichtjes en romantische teksten. Eerst vond ik dat grappig, later voelde ik me gevleid. Verliefd was ik nog niet, maar juist dat leek hem te triggeren. Hij zette alles op alles om mijn aandacht te krijgen en appte me van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Ook reageerde hij op alles wat ik plaatste en leek het alsof we veel overeenkomsten hadden. Zo vertelde hij dat hij net als ik van speciaalbiertjes, whisky en sushi hield.
En dat hij later graag een reis door Scandinavië wilde maken, iets waar ik al jaren van droomde. Na anderhalve maand daten kregen we een relatie.
Mark was lief en geïnteresseerd, ook toen ik hem vertelde over mijn auto-immuunziekte. Minstens één keer per maand was ik hierdoor zwaar benauwd en moe en ik slikte dagelijks veel medicijnen. ‘Als jij ziek bent, zal ik alles voor je doen,’ zei hij. Dat vond ik lief, want ik was het gewend om in mijn eentje te dealen met mijn ziekte. Ik had al een paar jaar geen relatie meer en veel vrienden waren druk met hun eigen werk. Mijn ouders woonden ook niet echt dichtbij, dus als ik ziek was, moest ik het alleen doen. Ik werkte vanuit huis in de IT-sector. Op de momenten dat ik ziek was, werkte ik met een puffer en vernevelaar door vanuit bed. Ik wilde me niet steeds ziek melden, maar Mark vond dat ik mezelf te veel overbelastte. ‘Vanaf nu hoef je het niet meer alleen te doen,’ zei hij. ‘Ik zal er altijd voor je zijn.’
‘IN HET ZIEKENHUIS LEEK HET ALSOF MARK GENOOT VAN ZIJN ROL ALS REDDER, DAT VOND IK RAAR’
Die taak nam hij erg serieus toen ik na drie maanden voor het eerst ziek werd bij hem thuis.”
Reddende engel
“Op een zondag kreeg ik een zware astma-aanval. Mark legde me op bed en zette Netflix aan. Toen ik nog wat probeerde te werken, klapte hij mijn laptop dicht en belde mijn baas dat ik ziek was, maar dat niet wilde toegeven. Mijn leidinggevende reageerde relaxed en zei dat ik alle tijd moest nemen om te herstellen.
‘Waarom doe je dat nou?’ vroeg ik. ‘Gewoon, omdat dat het beste is voor jou,’ antwoordde hij. Daarna belde hij de spoedeisende hulp en overtuigde de assistente ervan dat ik gezien moest worden. Dat vond ik overdreven, want met mijn medicijnen kreeg ik de aanvallen meestal wel onder controle.
Toch moest ik naar het ziekenhuis komen en Mark straalde toen de artsen hem complimenteerden met het feit dat hij me had gebracht. Met mijn benauwdheid viel het mee – ik mocht naar huis met antibiotica en ontstekingsremmers – maar het leek alsof Mark genoot van zijn rol als redder. Ergens vond ik dat raar, maar ik had te weinig energie om er echt goed over na te denken.
In de maanden daarna herhaalde deze situatie zich vaak. We waren in de weekenden altijd bij Mark thuis, omdat hij dat graag wilde. Hij was doordeweeks veel op pad voor zijn werk als vertegenwoordiger van auto-onderdelen. We woonden op ruim twee uur reizen bij elkaar vandaan en op vrijdag werkte hij meestal bij mij in de buurt. Hierdoor kon hij me ’s avonds ophalen. Op maandagochtend bracht hij me dan weer thuis. Steeds werd ik bij hem opeens benauwd, meestal door iets wat ik zelf altijd uit de weg ging. Zo brandde hij een keer wierook thuis en verraste hij me in een restaurant met een smokey tartaar die veel rook met zich meebracht. Hij wist dat dit me zwaar benauwd maakte, maar dan was het:
‘Shit, niet over nagedacht.’ Ik had altijd medicatie mee voor noodgevallen, maar mijn puffer en vernevelaar zaten die keren niet meer in mijn tas.
Volgens Mark was ik ze waarschijnlijk thuis vergeten.
Omdat ik verward en ziek was, begon ik aan mezelf te twijfelen. Voordat ik het wist, had Mark dan een ambulance geregeld en werd ik afgevoerd naar het ziekenhuis. Gelukkig kon ik daar voor de zoveelste keer worden opgelapt.
In het begin van onze relatie hadden we het echt leuk samen. We keken series, kookten samen en konden uren praten. Ik was heel blij met hem. Na drieënhalve maand trok ik bij hem in. Dat leek hem handiger, omdat we dan niet meer zo veel hoefden te reizen.
Maar vlak na mijn verhuizing werd ik ineens doodziek. Ik was heel misselijk en had enorme buikpijn.
Ook kon ik bijna niet meer lopen. In het ziekenhuis konden ze geen oorzaak vinden en een arts vroeg of ik mijn medicatie wel goed innam. ’s Ochtends slikte ik veertien pillen en ’s avonds vijf. Ik bewaarde alle pillen in een grote pot en sorteerde ze zelf. Had ik me misschien vergist? Mark stelde me gerust. ‘Het geeft niet. Vanaf nu leg ik je pillen wel klaar.’ Op dat moment vond ik dat fijn. Het voelde goed dat ik op hem kon terugvallen.
Na een paar weken werd ik opnieuw doodziek opgenomen in het ziekenhuis. Ik voelde me precies zoals de vorige keer. Mark zei dat hij vrij had gekregen van zijn werk en was dag en nacht bij me. Hij had de arts verteld dat ik zonder hem erg in paniek zou raken.
Tijdens gesprekken met de arts zei hij vaak dat hij zich zorgen maakte: ‘Ze doet zich beter voor, maar ze is echt ziek.’ Voor mij was dat dubbel: ergens vond ik het lief dat hij zo veel om mij gaf, maar tegelijkertijd vond ik het irritant. Als ik er wat van zei, schoof Mark het altijd af op mij. Hij was gewoon bezorgd en ik moest me niet zo druk maken.
‘OP MIJN PILLEN ZAT RATTENGIF, de ampullen van mijn vernevelaar waren gevuld met water’
Toen hij een paar maanden later thuis de ramen wagenwijd openzette met dikke mist buiten, vroeg ik wat hem in hemelsnaam bezielde. Hij gooide het op een vergissing, wilde wat frisse lucht, maar was vergeten dat ik niet tegen mist kon. Op dat moment voelde ik voor het eerst dat er iets niet klopte, maar ik schoof het weg. Misschien overdreef ik gewoon, dacht ik. Veel tijd om erover na te denken had ik ook niet, want ik belandde meteen weer in het ziekenhuis.
Toen we na deze zoveelste opname in de auto naar huis zaten, viel mijn oog op mijn ontslagformulier.
Mark had uit mijn naam geschreven dat ik me ‘onmachtig en in paniek voelde’ als ik ziek was.
Verbijsterd keek ik hem aan. ‘Waarom heb je dat gedaan?’ zei ik. ‘Mijn gevoelens zijn van mij. Weet je plek.’ Plotseling verstarde zijn gezicht. Hij keek me kil aan, balde zijn vuist en reed verder zonder iets te zeggen. Zo kende ik hem helemaal niet. Ik dacht: ik kan nu beter niks meer zeggen, want straks ontploft hij nog. Wat hij thuis uiteindelijk ook deed. Boos schreeuwde hij dat hij mij al die tijd met de beste intenties had verzorgd en dat ik nooit nadacht over hoe zwaar het voor hém was. Zijn woorden raakten me. Ik voelde me schuldig en besloot te zwijgen.”
Alarmbellen
“Om de week lag ik wel in het ziekenhuis met zware benauwdheid en onverklaarbare buikpijn. Omdat mijn medicijnen duur waren, stelde de longarts voor om mijn eigen pillen en vernevelaars mee te nemen.
Maar ook daarmee knapte ik niet op. Pas toen ik via een infuus medicatie van het ziekenhuis kreeg, ging het langzaam beter. Mark was gefascineerd door mijn infuus. Toen de arts even met zijn rug naar ons toe stond, zag ik hoe hij aan de knopjes zat. ‘Wat doe je?’ vroeg ik. ‘Blijf eraf.’ Hij glimlachte. ‘Rustig maar, ik dacht dat ie niet goed doorliep.’ Ik had geen idee dat de arts dit had gehoord. De volgende ochtend stond hij met een klinisch psycholoog aan mijn bed. Ze wilden me spreken zonder Mark en werkten hem met moeite de kamer uit. De arts vroeg of Mark mij medicijnen onthield. Verward antwoordde ik: ‘Nee, hij zorgt juist voor me.’
Wat dacht die arts wel niet? Hij keek me ernstig aan en vroeg me of hij mijn ampullen voor mijn vernevelaar mocht zien. ‘Kijk,’ zei hij toen ik ze gaf. ‘In elke ampul zit een gaatje. Ik denk dat Mark jou vergiftigt.’ ‘Dat kan niet,’ zei ik woedend. ‘Dat zal wel een fout van de fabriek zijn.’ Direct riep ik Mark van de gang. ‘Ze denken dat jij me vergiftigt!’
Hij trok wit weg en begon meteen de artsen de huid vol te schelden. Ik eiste dat mijn infuus eruit ging en schreeuwde dat ik naar huis wilde. De arts schudde zijn hoofd en de klinisch psycholoog zei me dat ik het thuis maar eens goed moest laten bezinken. Meer konden ze op dat moment niet voor mij doen.
Eenmaal thuis escaleerde het volledig. Terwijl ik ziek op de bank lag, zette Mark het op een drinken. Hij tierde over de artsen, terwijl hij af en toe naar me glimlachte met dezelfde duistere blik in zijn ogen die hij eerder had. Ik vond het doodeng, hadden de artsen dan toch gelijk? Omdat hij steeds agressiever schreeuwde, gingen er bij mij alarmbellen af. Vanuit een soort overlevingsstand probeerde ik hem te kalmeren, maar ineens sloeg het om. Eerst beukte Mark met zijn hoofd tegen een keukenkastje, daarna richtte hij zijn woede op mij. Hij duwde me op de grond en sloeg en schopte me herhaaldelijk. Ik stond doodsangsten uit en dacht: dit is het, hij gaat me vermoorden. Omdat ik zo benauwd was, kon ik niet eens gillen.
Hoelang de mishandeling duurde weet ik niet, maar uiteindelijk sleepte ik mezelf naar de bank.
Mijn telefoon was niet in de buurt, dus de politie, vrienden of familie bellen, was geen optie. Op de bank zakte ik uitgeput weg. Later werd ik wakker van Marks smeekbeden. Hij zat huilend bij me en zei dat hij me nooit pijn had willen doen. Ook vroeg hij of ik hem vergaf. Het enige wat ik kon uitbrengen, was dat ik mijn benen niet meer voelde. Ik herhaalde die zin als een soort mantra, tot ik weer wegzakte.
De volgende ochtend deed Mark alsof er niets was gebeurd. ‘Ik haal zo sushi voor je,’ zei hij luchtig toen ik met veel pijn wakker werd. ‘Ook regel ik een ziekenhuisbed beneden, want je kunt de trap niet meer op.’ Over de mishandeling en het vergiftigen zei hij geen woord. Met mijn ogen zocht ik mijn telefoon.
Waarschijnlijk had Mark hem boven gelegd. Er was geen enkele manier om hulp te zoeken.
Drie dagen lang hield Mark me gegijzeld. Ik lag al die tijd op de bank, verlamd van angst. Ik was letterlijk niet meer in staat om weg te komen. Omdat ik mijn benen niet meer voelde, was ik volledig afhankelijk van hem. Hij bracht me naar de wc en zette me onder de douche, iets waar ik van walgde. Al mijn liefde voor hem was in één klap verdwenen. Wat restte was pure angst. Praten deden we niet echt en elke aanraking van hem voelde als een vernedering.
‘HIJ WAS DAG EN NACHT BIJ ME, HAD DE ARTS VERTELD DAT IK ZONDER HEM ERG IN PANIEK ZOU RAKEN’
Soms keek hij me aan met een lege en ijskoude blik. Eten deed ik nauwelijks; hij zette af en toe iets voor me neer, maar ik kreeg geen hap door mijn keel. Hij liet me ook geen seconde alleen. Soms was hij zorgzaam, later schreeuwde hij weer dat ik ondankbaar was. Ik dacht voortdurend dat hij me alsnog ging vermoorden. Mijn redding was het ziekenhuisbed dat na een paar dagen werd gebracht. Mark had bij de aanvraag gezegd dat we een auto-ongeluk hadden gehad, waardoor ik verlamd was geraakt en hij hoofdwonden had opgelopen. Daarop had de thuiszorgwinkel voorgesteld om ook iemand van thuiszorg mee te sturen. Na lang aandringen ging hij toch maar akkoord. Toen de verpleegkundige mij zag, schrok ze zich kapot. Ik zat onder de blauwe plekken en kon duidelijk niet meer lopen. Ze vertrouwde het niet en vroeg zachtjes of ik tegen mijn wil werd vast-gehouden. Ik knikte, waarop zij direct 112 belde. Zo werd ik bevrijd en werd Mark opgepakt.
‘Ergens vond ik dat het allemaal mijn schuld was, WAAROM HAD IK ZOLANG DE RED FLAGS GENEGEERD?’
In het ziekenhuis bleek dat mijn verlamming het gevolg was van een combinatie van lichamelijk letsel door de klappen en extreme spanning.
Ook wees politieonderzoek later uit dat Mark mij inderdaad maandenlang had voorgelogen. Hij had helemaal geen werk, kreeg al jaren een uitkering.
Daarnaast had hij soms expres mijn medicijnen kwijtgemaakt én mij vergiftigd. Tijdens het verhoor heeft hij nooit bekend, maar volgens de recherche kwam er zo veel bewijs uit het toxicologisch onder-zoek dat er geen twijfel over bestond. Op sommige pillen werd rattengif gevonden en de ampullen van mijn vernevelaar bleken gevuld te zijn met water. Dat Mark tot zoiets in staat was, kon ik amper geloven. Net als ik waren mijn ouders in shock. Ze dachten altijd dat hij zo goed voor me zorgde.
Mijn vrienden hadden hem nooit ontmoet, dat hield hij met allerlei smoezen altijd tegen, maar ze begrepen niet hoe ik twee jaar in zijn greep had kunnen blijven. Marks ouders daarentegen gaven mij de schuld van alles en geloven niet dat hij me iets heeft aangedaan, maar een onafhankelijke psycholoog oordeelde dat Mark aan borderline en het münchhausen-by-proxysyndroom leed. Hierbij zoek je herhaaldelijk medi-sche hulp voor iemand die je bewust ziek maakt. De rechter achtte Mark schuldig aan poging tot moord, zware mishandeling, vergiftiging en gijzeling. In de rechtszaal keek hij me kil aan, maar tijdens zijn spreekrecht zei hij dat hij nog steeds van me hield en dat ik altijd bij hem terug mocht komen. Het bezorgde me de rillingen. Zelfs daar, na alles, bleef hij overtuigd van zijn gelijk. Toen ik dat hoorde, dacht ik: zie je wel, het lag echt niet aan mij. Want hoe vaak anderen ook tegen me zeiden dat ik er niks aan kon doen: ergens vond ik dat het mijn schuld was. Waarom had ik de red flags genegeerd? Hij controleerde mijn telefoon, wilde altijd weten met wie ik sprak en maakte me steeds afhankelijker van hem. Ik had dat niet meteen door, omdat hij inspeelde op mijn kwetsbaarheden: mijn ziekte, mijn verlangen naar steun en mijn behoefte aan liefde. Hij wist precies hoe hij zich onmisbaar moest maken en na veel therapie zag ik eindelijk in hoe geraffineerd hij dat had gedaan.”
Blijvende littekens
“Mark kreeg vier jaar en zeven maanden gevangenisstraf en twee jaar TBS met mogelijke verlenging.
Via de politie hoorde ik later dat hij is overleden. Ik vermoed dat hij zelfmoord heeft gepleegd. Daar dreigde hij vlak voor de gijzeling ook mee. Het gaf me gemengde gevoelens. Het was een opluchting dat hij me nooit meer iets kon aandoen, maar ik voelde ook verdriet en verwarring dat het zo moest eindigen.
Dankzij veel traumatherapie heb ik alles kunnen verwerken en Mark losgelaten. Nu, vijf jaar later, heb ik mijn leven opnieuw opgebouwd. Door veel fysiotherapie heb ik weer leren lopen. En ik heb een nieuwe relatie, met iemand die ook een gewelddadige relatie achter de rug heeft. We begrijpen elkaar en doen het rustig aan. Toch merk ik dat de littekens blijven. Laatst zei ik bijvoorbeeld dat ik met vriendinnen weg wilde. Toen hij enthousiast reageerde, moest ik even schakelen; ik had al rekening gehouden met veel weerstand. Wat ik hiervan heb geleerd, is dat liefde nooit verstikkend mag zijn. En dat je intuïtie er niet voor niets is. Ik had al die tijd een knagend gevoel, maar drukte het weg. Nu durf ik daar nooit meer tegenin te gaan. Mijn grootste overwinning is dat ik mezelf opnieuw ben gaan vertrouwen. Daar ben ik, ondanks alles, ontzettend dankbaar voor.”
Wegens privacyredenen zijn de namen van Lisanne en Mark gefingeerd. ■
