
“Ik was nog maar vier jaar, maar ik herinner het me nog levendig. Een stralende dag in Paramaribo. We vierden de verjaardag van mijn neefje en ik speelde met mijn nichtjes op het grasveld naast zijn huis. Een van de jongens stelde voor om tikkertje te spelen. Jongens tegen de meisjes. We stelden ons in rijen op aan weerszijden van het grasveld. Zonder erbij na te denken sloot ik aan bij mijn nichtjes. Er bestond geen enkele twijfel in mijn kinderbrein dat de meisjeskant mijn kant was. Voor mijn nichtjes was dat blijkbaar net zo logisch, want geen van hen corrigeerde me. Maar toen ik naar de overkant keek, zag ik de verwarde blikken van mijn neefjes. ‘Waarom sta je aan die kant?’ lachten ze verbaasd. ‘Taki duh,’ antwoordde ik, Surinaamse slang voor ‘zo is het gewoon, bemoei je er niet mee’. Iedereen barstte in lachen uit. Echt huilen van het lachen. Uitlachen. Terwijl ze me nadeden, voelde ik diep vanbinnen de pijn groeien die me bijna twintig jaar heeft achtervolgd. Het gevoel van anders zijn. Het gevoel dat ik ‘niet klopte’. Ik weet nog dat ik die avond huilend in bed lag, maar geen woord met mijn ouders deelde over het voorval. Het was het begin van mijn zwijgen. Die zonnige verjaardag werd de dag waarop ik erop werd gewezen dat mijn natuurlijke vorm van bestaan als iets vreemds werd gezien.”
Dubbelleven
“Nu ik terugblik, wisten mijn ouders altijd al dat ik anders was. Waar mijn twee jaar oudere broer speelde met typisch masculien speelgoed, zoals G.I. Joe-poppen en plastic geweren, kamde ik vol passie het regenbooghaar van mijn My Little Pony’s. En waar mijn broer hardop fantaseerde over ridders en piraten, speelde ik een prinses, een ballerina of mijn favoriet: een fee.
‘MIJN BROER SPEELDE MET G.I. JOEPOPPEN, IK KAMDE HET GEKLEURDE HAAR VAN MIJN MY LITTLE PONY’S’
‘Als ik later groot ben, word ik ook een fee,’ zei ik vaak tegen mijn ouders terwijl ik door onze woonkamer fladderde. Dat ik geen fee, maar eigenlijk een meisje was, wist ik niet. Mijn ouders brachten mijn ‘anderszijn’ ook nooit actief ter sprake. Wel gaven ze me, achteraf gezien, alle ruimte om mezelf te zijn. Zo kan ik me goed herinneren dat ik, toen ik een jaar of tien was, een pop uitkoos tijdens een tripje naar de speelgoedwinkel met mijn vader. Ik voelde dat het geen normale keuze was, dus vroeg ik of hij wilde doen alsof het een cadeautje voor mijn nicht was.
Maar mijn vader zei bij het afrekenen trots: ‘Dit is voor mijn zoon.’ Doordat ik mijn ware zelf verstopte, herkende ik het destijds niet als steun. De focus lag in ons gezin vooral op vaardigheden en op wat we daarmee konden toevoegen aan ons leven en aan de wereld. Zo hadden we dankzij mijn vaders werk als arts een bovengemiddeld goed leven in Suriname. In een poging mijn ‘anders-zijn’ recht te trekken, stortte ik me van jongs af aan al op mijn schoolwerk. Buitenshuis voegde ik me naar wat de jongens op school deden. Door de pijn die zich als vierjarige in mijn ziel had gegrift, vreesde ik dat ik anders niet zou worden geaccepteerd. Als vriendjes per ongeluk op mijn geheime la vol ‘meidenspeelgoed’ stuitten, loog ik dat het van mijn nichtje was. Eigenlijk leefde ik een soort dubbelleven.”
Niet goed genoeg
“Toen ik als twaalfjarige verliefd werd op een vriendje uit mijn klas, voelde dit voor mij doodnormaal. Toch wist ik dat dat voor de buitenwereld niet zo was.
In Suriname spraken we niet over homoseksualiteit. Ik kende de term ‘gay’ niet eens. In mijn slaapkamer zocht ik stiekem naar informatie over jongens die verliefd waren op jongens. Ik weet nog hoe ik mijn deur op slot draaide en ademloos keek naar de resultaten van mijn zoekterm: YouTube-video’s van prachtige mannen die hun make-up deden en van jongens die elkaar zoenden, met miljoenen views. Er ging een wereld voor me open. Veel van die homoseksuele jongens hadden vrouwelijke trekken en interesses. Dit ben ik dus, een vrouwelijke jongen, concludeerde ik scrollend. Het was fijn om mezelf in anderen te herkennen, maar tegelijkertijd vormde het een bevestiging van mijn anders-zijn. En zoals ik als kleuter had geleerd: wie anders is, wordt afgewezen.
Een overtuiging die werd gevoed toen ik op mijn vijftiende uit de kast kwam bij mijn ouders. Nadat mijn moeder had verteld hoe mooi ze de reactie van haar vriendin vond op de coming-out van haar dochter, mompelde ik dat ik ook queer was. Ik was ervan overtuigd dat ze mij ook zou accepteren, maar ik zag alle kleur uit haar gezicht wegtrekken. ‘Je maakt een grap,’ fluisterde ze ongemakkelijk lachend. Haar ogen vulden zich met tranen. Die druppels sneden dwars door mijn ziel. De pijn die ik op dat moment voelde, het gevoel niet goed genoeg te zijn, was precies waarvoor ik mezelf sinds mijn vierde zo krampachtig probeerde te beschermen. Ik wist niet dat haar tranen niet uit afwijzing voortkwamen, maar uit angst. Angst voor de pijn waarvan ze dacht dat die me te wachten stond. Verward stormde ik naar mijn vaders kantoor. Hij luisterde naar mijn woordenstroom en zei toen rustig: ‘Je papieren zijn je eerste man.’ Oftewel: mijn geaardheid of genderidentiteit veranderde niets aan hoe hij naar me keek of hoeveel hij van me hield. Hij wilde alleen dat ik mijn best bleef doen om een goed en liefdevol mens te zijn. Ik voelde me geliefd en gesteund door hem. De volgende dag overhandigde mijn moeder me een brief. Ze schreef dat haar reactie voortkwam uit bezorgdheid en liefde.
‘Vanaf mijn vierde voelde ik diep vanbinnen de pijn groeien. HET GEVOEL VAN ANDERS ZIJN’0
Ze was enorm blij dat ik haar vertrouwde en wist altijd al dat ik anders was. Ze zou altijd van me houden zoals ik ben. Maar ze moest leren omgaan met de bevestiging dat haar kind nu mogelijk een moeilijker levenspad zou bewandelen. Haar lieve woorden kwamen niet bij me binnen. Ook niet toen ze de dagen erna meermaals herhaalde hoeveel ze van me hield. Ik klapte compleet dicht. Ik had mezelf zo verloochend dat ik vergat wie ik vanbinnen was.”
Verhuizing
“Dat ik niet homo, maar trans was, wist ik nog niet, ondanks dat steeds vaker de vraag in mijn hoofd oppopte of ik niet eigenlijk een meisje was. Het was een vraag die ik altijd wegwuifde, omdat ik gewoon niet geloofde dat mijn buitenkant zou kunnen weerspiegelen hoe ik me vanbinnen voelde. De consensus op mijn school was dat ‘travestieten’, zoals transvrouwen toen onterecht werden genoemd, vreemd waren. Er was destijds één transpersoon out in the open in Paramaribo en iedereen op school maakte haar belachelijk. In die stigmatiserende heteronormatieve cisgenderomgeving waar ik opgroeide, werd ik zelf ook transfobisch. Natuurlijk was ik niet trans. Ik wilde helemaal niet tot een groep behoren waar zo veel vooroordelen over bestonden. Toch zei ik thuis in mijn slaapkamer vaak hardop in de spiegel dat ik een mooi meisje was. Dat ik er mocht zijn.

Dat mijn ouders van mij hielden zoals ik was. Diep vanbinnen wist ik altijd al dat ik trans was, maar ik had mijn ware ik zo ver weggestopt, dat mijn dubbelleven mijn normaal was geworden. Ik was vrolijk, gelukkig, had een grote groep vriendinnen die gek waren op hun ‘gay best friend’ en ging zelfs met mijn vader naar de Pride in Paramaribo. Ook de band met mijn moeder heelde. Ik nam haar mee in mijn online queerwereld en toonde dat queer zijn en gelukkig zijn hand in hand kunnen gaan. ‘Kijk, deze vrouw is bijvoorbeeld ooit in transitie gegaan, ze is nu zo prachtig. Het kan allemaal,’ zei ik, alsof het niks met mezelf te maken had. Op dezelfde wijze stelde ik nonchalant de vraag aan mijn ouders: ‘Wat zouden jullie eigenlijk doen als ik in transitie ging?’ Zonder na te denken reageerden ze: ‘Dan zouden we je ook accepteren.’ Ondanks dat ik me nog steeds niet identificeerde als trans, voelde het goed te weten dat ik nooit meer hoefde te vrezen voor afwijzing.
Op mijn zeventiende besloot ik naar Nederland te verhuizen om geneeskunde te studeren. Het eerste land ter wereld waar het homohuwelijk was gelegaliseerd: daar zou ik openlijk mezelf kunnen zijn. Tijdens Pride verhuisde ik naar Amsterdam. Wapperend met een regenboogvlag boven mijn hoofd stuitte ik op de Dam op een optreden van de prachtige danseres Amber Vineyard, gekleed in niets anders dan een diamanten beha en string. ‘Look at yourself in the mirror and tell yourself that you are beautiful, because you are!’ riep ze door de microfoon, terwijl ze sierlijk over het podium bewoog. Het voelde alsof haar woorden voor mij waren bestemd. Dit is mijn plek, wist ik. Het was alsof ik voor het eerst in jaren weer kon ademen.
‘IN DE BALLROOMCULTUUR WERD IK NIET UITGELACHEN OM MIJN VROUWELIJKHEID, MAAR JUIST GEPREZEN’
Uiteindelijk heb ik me hier volledig leren omarmen door de ballroomcultuur, een queersubcultuur die in de jaren zeventig is ontstaan in New York en vooral bestaat uit transvrouwen van kleur. Ik leerde online dat de cultuur, waarin de expressieve dansstijl voguing centraal staat, een veilige haven is voor mensen die ‘anders-zijn’. Nou, dat was mij op het lijf geschreven. Dit in tegenstelling tot de Amsterdamse gayscene, die niet zo’n queer paradise bleek te zijn als ik had gehoopt. De mainstream gayscene is over het algemeen wit en mannelijk. Twee dingen die ik niet ben.
In de hoop een plek van herkenning te vinden, ging ik als twintigjarige, gekleed in een sportshirt en een grijze joggingbroek, naar mijn eerste dansles bij het ballroomhuis House of Miyake-Mugler. Ik danste niet zoals mijn groepsgenoten op hoge hakken, maar op platte sneakers. Toch zag ik in de spiegel dat mijn bewegingen extreem vrouwelijk waren. ‘Jij bent ook trans, hè?’ zei een van de andere dansers na afloop. ‘Ik ben gewoon een vrouwelijke homo,’ wuifde ik de opmerking weg. Ik was zo geïndoctrineerd door het negatieve beeld van transpersonen in Suriname, dat ik negatief stond tegenover het idee dat ik trans zou zijn. Maar in de ballroomcultuur heersten geen taboes. Hoe beter ik werd als danser en hoe sierlijker mijn bewegingen werden, hoe vaker ik te horen kreeg van verschillende transvrouwen in de groep dat ik een van hen was. En hoe vaker ik het te horen kreeg, hoe fijner het voelde dat ik niet werd uitgelachen om mijn vrouwelijkheid, maar juist geprezen. Voor het eerst in mijn leven zag ik positieve voorbeelden van transvrouwen. Zelfverzekerde, gelukkige, prachtige, intelligente vrouwen met mooie levens. Vrouwen die stap voor stap mijn beperkende overtuigingen over mijn genderidentiteit hebben afgebroken.
‘IN DE SPIEGEL ZIE IK ELKE DAG MEER DE JADE DIE IK AL HERKENDE TOEN IK NOG KLEIN WAS’
Doorslaggevend was het eerste paar hakken dat ik online kocht voor de danslessen. Ik sloot de gordijnen van mijn studentenflat om het zwartgelakte paar te passen. Zodra ik mezelf in de spiegel zag, kon ik niet meer wegkijken. Na bijna twintig jaar van mentale strijd zag ik voor het eerst echt mezelf in mijn weerspiegeling. Een meisje. Een prachtig meisje! Sinds dat moment heb ik een magische transformatie doorgemaakt. Ik voel me letterlijk de fee van Winx Club. In de ballroomcultuur heb ik stapje voor stapje ontdekt hoe het voelt om een vrouw te zijn. Door kleding, lang haar, make-up, een netwerk vol steunende mensen, de validatie van andere transen cisvrouwen, maar vooral door de dans. Door de bewegingen, het plezier en de connectie met mijn lichaam heb ik mezelf teruggevonden. Ik leerde dat het niet alleen oké is om trans te zijn, maar dat het ook mooi is! Dat het me een blijer mens maakt. Het was alsof er een heel nieuwe wereld van genot en blijdschap voor mijn ogen ontstond doordat ik eindelijk mezelf accepteerde.
Achteraf is de grootste afwijzing altijd die van mezelf geweest. Toen ik twee jaar geleden op bezoek bij mijn ouders in Suriname voor het eerst hardop uitsprak dat ik een vrouw ben, barstten mijn ouders tot mijn verbazing in lachen uit: ‘We wisten dit toch. We hebben je allang geaccepteerd als onze dochter!’ Woorden kunnen niet beschrijven hoe fijn dat moment was. Mijn ouders deelden de naam die ze me hadden gegeven als ik als meisje was geboren. En aangezien we nu weten dat ik als meisje bén geboren, is dat de naam die ik sindsdien gebruik. Jade.”
Voorbeeld
“De vrouw die ik nu ben, is fantastisch. Ik ben een jaar geleden gestart met mijn medische transitie en door de hormonen en laserbehandelingen voel ik me elke dag een stukje vrouwelijker. Mijn gezicht wordt ronder, mijn huid zachter en mijn taille smaller, mijn heupen worden voller en mijn borsten groter.
Elke dag zie ik steeds meer de Jade terugkijken die ik al herkende toen ik vier jaar oud was. Als ik was opgegroeid in Nederland in een gezin waar genderidentiteit bespreekbaar was, was ik in mijn puberteit al in transitie gegaan. Toch kijk ik met positiviteit naar mijn verhaal. Mijn ouders hebben altijd gedaan wat ze konden binnen hun eigen referentiekader, ik heb een sociale omgeving die heeft bijgedragen aan mijn groei en ontwikkeling als transpersoon en ik heb vrij mijn gender kunnen ontdekken. Ik sta stevig in mijn schoenen, of eigenlijk: op mijn hoge hakken, dankzij wat ik heb meegemaakt.
Ik wil de positieve representatie zijn die ik zelf niet had in mijn jeugd. Want net als in Suriname, hoor je ook in Nederland vooral negatieve verhalen over transpersonen. Over mensen die het zwaar hebben, die psychisch worstelen, die slachtoffers worden van verbaal en fysiek geweld. Maar er is ook veel moois en nuance. Ik vind het belangrijk om dat met mijn verhaal te bieden. Ik ben zielsgelukkig en vind mezelf een prachtig bloeiende vrouw. Ik ben overal open over mijn trans-zijn en iedereen is accepterend. Ook de heteroseksuele cismannen met wie ik date en de artsen en patiënten met wie ik werk. Ik hoop dat ik kan bewijzen dat steun en acceptatie van de buitenwereld mogelijk zijn, ook als je ouders niet vanaf het begin alles begrijpen, of als je jezelf niet altijd hebt begrepen, omdat je hebt geleerd dat je je voor je genderidentiteit moet schamen. Je mag er zijn, het is leuk om jezelf te ontdekken en je kunt een mooi waardevol leven hebben als transpersoon.

Ik ben inmiddels bijna afgestudeerd als arts en vanuit die rol hoop ik een positief verschil te maken voor andere transpersonen. Want met een gemiddelde wachttijd van zes jaar voor genderzorg is het duidelijk dat er van alles misgaat. Als migrant met een studenten-visum had ik het geluk dat ik na een jaar wachttijd al terechtkon bij de genderkliniek van de GGD in Amsterdam, maar dit gaat niet voor iedereen op. Als arts wil ik strijden voor beschikbare en betere genderzorg. Er heerst zo’n stigma rondom de stap om in transitie te gaan en er is zo’n angst dat er een verkeerde keuze wordt gemaakt, dat de diagnostische processen veel te lang duren. Terwijl transpersonen al een proces van jaren hebben doorgemaakt voordat ze überhaupt bij een genderpoli aankloppen. Volgens Transgender Netwerk Nederland blijkt uit onderzoek dat slechts één procent van de transpersonen spijt heeft van sommige medische stappen. Kortom: het kan en moet sneller.
‘Toen ik uitsprak dat ik een vrouw ben, barstten mijn ouders in lachen uit: ‘We wisten dit toch allang!’’
Ik wil na mijn afstuderen toewerken naar een eigen praktijk, vergelijkbaar met de transkliniek, waar ik samen met andere basisartsen algemene genderzorg kan verlenen, zodat alleen de complexe vraagstukken naar de genderpoli hoeven. Dat is mijn droom. Waarde toevoegen, het verschil maken in onze maatschappij. Precies zoals mijn ouders altijd hoopten. Net zoals overigens het klassieke huisje-boompje-beestje, wat ook absoluut mijn grote droom is. Ik wil trouwen met een lieve man en wonen in een mooi huis met onze kinderen. Als een alledaagse vrouw, met toevallig een bijzonder levensverhaal. Als mezelf.”
Meer Jade? Ze is te zien in de documentaireserie SLAY op NPO Start over de ballroomcultuur. Volg haar ook op Instagram: @jade_hues. ■
